Na de oorlog zat iedereen in het verzet, maar joden waren er niet meer

Mijn vader, die tijdens de oorlog bijna zijn volledige familie heeft verloren, week in zijn latere leven tijdens de meidagen als het even kon uit naar Duitsland. 

Daar verbleef hij, samen met zijn niet-joodse Duitse vrouw die niet mijn moeder is, in het Zwarte Woud of een ander vakantieoord. Als het eenmaal 5 mei was geweest kwamen ze weer terug. Liever de Duitse taal om hem heen dan de verhalen die hij in het Nederlands moest aanhoren over het dappere verzet.

Een vaak terugkomende klacht over Nederland tijdens de oorlog is dat zo weinigen iets hebben gedaan. Dat is waar, maar was niet de reden waarom mijn vader Nederland na de oorlog niet kon luchten en 20 jaar in Zwitserland heeft geleefd. 

Dit is ook niet de reden waarom hij in de meidagen niet in Nederland wilde zijn en geen boodschap had aan de idiote overdreven zogenaamde hekel die Nederlanders hadden aan Duitsers.

Het was omdat mijn vader als onderduiker bij partijkameraden niet kon vertellen dat hij een jood was, uit angst uitgeleverd te worden aan de Duitsers. Meerdere keren is getracht om van hem af te komen, bijvoorbeeld door hem de straat op te sturen toen Amsterdam judenrein werd gemaakt. Hij zat op dat moment ondergedoken bij ene Stien Hamer, partijgenoot.

Een andere keer werd hem een hoed opgezet om er opvallend joods uit te zien en kreeg hij het advies een luchtje te scheppen. Hij gooide de hoed in de gracht, maar kwam omdat hij nergens anders naar toe kon, min of meer geradbraakt terug naar de teleurgestelde kameraden. 

De Partij realiseerde zich dit en had daarom voor andere adressen een valse identiteit voor hem geregeld, Cornelis Doevendans. “Jij bent toch geen jodenjongen he” werd hem gevraagd op zijn nieuwe onderduikadres.

Ik heb een brief gericht aan mijn vader, geschreven met de hand door Truus Menger Oversteegen, boegbeeld van het Nederlandse verzet, waarin zij weigert te getuigen voor een joodse vrouw die tijdens de bezetting op straat de verzetskrant De Waarheid heeft uitgedeeld. De vrouw had de getuigenis nodig van Menger Oversteegen om het verzetspensioen te kunnen krijgen. Maar als een jood met de dood in de ogen een verzetskrant uitdeelt, is dat geen verzet vond Menger-Oversteegen. Want die joodse vrouw was vanwege haar ‘joods bloed’ toch ten dode opgeschreven.

Wat bezielt zo iemand om 30 jaar na de oorlog een joodse vrouw de erkenning te ontzeggen dat zij haar leven heeft geriskeerd voor de goede zaak? Dezelfde reden waarom mijn vader ondergedoken tussen de partijkameraden niet kon vertellen dat hij Jood was. Het waren antisemieten.

De eerste Nederlander, Leendert Schijveschuurder, die door de Duitsers is gefusilleerd voor verzetsdaden was een Jood. De eerste niet-Nederlander die door de Duitsers voor verzetsdaden is geëxecuteerd, Ernst Cahn een immigrant uit Duitsland, was ook een Jood. De jongens met wie mijn vader de krant De Waarheid drukte, Jaap de Haan, Flip de Haan en Evert Ooievaar, waren Joden en zijn allemaal vermoord. Het communistische verzet was joods verzet. Hoor je niks over.

Mijn vader kon onderduiken want hij was letterzetter en zoon van een belangrijke communistische politicus, Esther Teeboom van West. Maar de rest van de familie die geen centen of geen connecties had, kon geen kant op.

Zij die wel geld hadden, werden beroofd door hun weldoeners en daarna uitgeleverd aan de Duitsers. Of anders werden ze op straat gezet als het geld op was.

Op 4 Mei zijn we uit respect voor de doden stil. Maar het echte verhaal zullen we nooit kennen. Wat we wel weten zijn vaak niets minder dan sprookjes die we elkaar vertellen om het goed te maken en te vergeten. 

Brief van Menger-Oversteegen aan mijn vader