De consequenties van de status-quo

Het lijkt niet zo heel lang geleden, maar dat is het inmiddels wel. De Oslo-akkoorden werden in 1993 ondertekend in reactie op een langdurig Palestijnse volksopstand. De akkoorden moesten het vertrouwen tussen Palestijnen en Israëliers vergroten en uitzicht bieden op een alomvattende vredesregeling voor het Midden-Oosten. Nu, negen jaar later is het Israëlische leger in reactie op de onaflatende stroom van Palestijnse zelfmoordaanslagen op Israëlische burgers gestart met een grootscheepse militaire actie tegen het Palestijnse terreur. Het Oslo-proces mag dan wel niet meer te stoppen zijn, maar de richting ervan is verkeerd.

In de berichtgeving over het Midden-Oosten gaat de media vaak voorbij
aan de complexiteit van de situatie. Met alle consequenties van dien.
Enige tijd terug hoorde ik toevallig op straat een vrouw hardop zeggen
dat zij niet bij de racistische zionisten wilde eten. Zij doelde op een
Israëlisch restaurant waar zij op dat moment langs liep. Zou deze vrouw
zich realiseren dat het zionisme een product is van langdurige
Jodenvervolging in Europa? Met ander woorden dat de Europeanen een
belangrijke verantwoordelijkheid dragen voor het ontstaan van het
conflict in het Midden-Oosten.

Soms lijken de Europeanen te zijn vergeten dat vrede van strategisch
belang is voor het voortbestaan van Israël. Er is in ieder geval geen
enkele logische rede te bedenken om het omgekeerde te veronderstellen.
Voor de omliggende Arabische landen ligt dat anders. Vrede met Israël
kan zelfs bijdragen tot de destabilisatie van Arabische regimes die de
Palestijnse kwestie maar al te graag gebruiken als afleiding voor hun
nationale problemen. Daarnaast worden de verhoudingen in het
Midden-Oosten sterk gekleurd door de olievoorziening uit Arabische
landen aan het Westen. Buitenlandse betrokkenheid bij het Midden-Oosten
heeft daardoor weinig te maken gehad met mensenrechten, maar vooral met
geld en eigenbelang. De ?oplossing? die men al jaren in het
Midden-Oosten koestert heet dan ook status-quo.

Zolang de wereld maar niet wordt geconfronteerd met grootschalig geweld
en menselijk leed en zolang de Arabische dictaturen het Westen blijven
voorzien van goedkope olie is er geen haast bij het formuleren van een
gerechtvaardige oplossing voor het conflict. Extremisten aan Joodse en
Arabische zijde hebben de afgelopen jaren handig ingespeeld op het
gebrek aan diplomatiek initiatief en zijn instaat gebleken de hele
regio te destabiliseren.

Israël valt veel te verwijten. Duidelijk is geworden dat de
nederzettingen-politiek een desastreus effect heeft gehad op het
vredesproces. De nederzettingen impliceren nu eenmal extra militaire
aanwezigheid in de vorm van de checkpoints die een belangrijke
aanleiding zijn tot Palestijns frustratie en daaruit voortvloeiende
terreur. Israël kon veel eerder in actie komen om bijvoorbeeld
provocatieve nederzettingen, zoals die in Hebron, te ontmantelen en zo
het Palestijnse volk een teken van goede wil te tonen.

Het mislukken van het vredesproces is echter in grote mate te wijten
aan de Palestijnse autoriteit en Arafat in het bijzonder. Niet omdat
Palestijnse gezag de voorstellen van de Israëlische Premier Barak heeft
afgewezen, maar omdat zij een buitengewone kans hebben laten liggen om
in de afgelopen jaren de omstandigheden van het Palestijnse volk te
verbeteren. Donorlanden stonden in de rij om de Palestijnse economie te
helpen opbouwen. In plaats hiervan gebruik te maken en de welvaart van
Palestijnen te verbeteren heeft de Palestijnse autoriteit door
vergaande corruptie de verdere economische ontplooiing in de weg
gestaan.

De dictatoriale handelswijze van Arafat heeft bovendien verhinderd dat
getalenteerde Palestijnse intellectuelen in binnen en buitenland een
beslissende functie kregen binnen het Palestijnse gezag. Daarnaast
hebben Arafat en zijn mensen de Palestijnse media bewust gebruikt om
haat te zaaien binnen de Palestijnse bevolking. De Pa