Sabra en Sjatila

De aanklacht die in België is ingediend tegen Ariel Sharon heeft niet gerechtheid tot doel, vindt columnist Smuel Keren. Dan zou men de werkelijke daders, de Falingisten, (ten minste ook) aanklagen. Keren schetst de achtergronden.

Israëlische deskundigen voorspelden dat de Belgen het nog druk zullen
krijgen. Khadafi, Sadam Hoessein, Arafat en nog vele anderen zouden met
veel meer reden kunnen worden aangeklaagd dan Sharon. Peres dreigde
België voorlopig niet meer te bezoeken, wat belangrijke consequenties
heeft voor de toekomstige vredesrol van de Europese Unie. Vanaf 1 juli
aanstaande is België namelijk een half jaar voorzitter van de EU.

Het is onmogelijk om de aanklacht tegen Sjaron te begrijpen zonder de
achtergronden van de moderne geschiedenis van Libanon te kennen. Na de
onafhankelijkheid van Libanon in 1943 stond het land een tijd model
voor een oecumenische samenleving. Door de strategische ligging en
stabiele regering groeide Libanon uit tot het financiële zakencentrum
van het Midden-Oosten. Twee fatale ontwikkelingen bedierven de kans op
een langdurige vrede in Libanon. Het eerste probleem betrof een
conflict in de politieke machtsverhoudingen, die niet in balans waren.
De regeringsmacht berustte vooral bij de rechtse Christenen, terwijl de
moslims, die vijftig procent van de totale populatie uitmaakten, zich
uitgesloten voelden van een reële participatie in de regering. Een
tweede probleem was dat de Palestijnen, nadat koning Hoessein van
Jordanië hen uit zijn land verdreven had, naar Libanon vluchtten.

Dit had twee gevolgen: in 1975 brak in Libanon een burgeroorlog uit
tussen de moslimcoalitie in samenwerking met Palestijnse groeperingen
tegen de christelijke milities;de Palestijnen sleurden Libanon door
herhaaldelijke aanvallen op de noordelijke grens van Israël geleidelijk
mee in het Arabisch-Israëlische conflict.

Op 3 juni 1982 pleegden Palestijnse terroristen een moordaanslag op de
Israëlische ambassadeur in Engeland, Sjlomo Argov. Het Israëlische
leger trok daarop de grens met Libanon over en de Israëli’s hoopten
door de actie ?Vrede voor Galilea? een einde te kunnen maken aan de
explosieve situatie in Noord-Israël. In deze periode was Ariel Sharon
minister van Defensie. De actie ?Vrede voor Galilea? werd militair een
succes: Jasser Arafat en zijn strijders werden naar Tunesië verdreven.
Maar de Israëlische hoop vrede te sluiten met Libanon werd onder meer
gedwarsboomd omdat Bashir Gemayel drie weken na zijn verkiezing tot
president door moslimstrijders vermoord werd en de Libanese christenen
niet in staat bleken de afspraken die zij met Israël gemaakt hadden na
te komen.

Peres begrijpt dat de aanklacht tegen Sharon een poging is om niet
Sharon maar Israël in een kwaad daglicht te zetten. De voortdurende
aanvallen op Israëlische burgers kan Israël, ondanks de Amerikaanse
druk, niet lang meer accepteren. In het land is steeds meer
teleurstelling in Sharon te bespeuren. Hij is gekozen om harde
maatregelen te nemen en verzuimt dat te doen. Sharon houdt volgens de
Israëli’s meer rekening met de wereldopinie dan met de Israëli’s. Zij
zijn de aanvallen spuugzat. De Palestijnen hebben niet voor de vrede
gekozen, dus willen zij oorlog. De burgers van Israël zijn nu zover
dat, als de Palestijnen oorlog willen, zij die kunnen krijgen ook.

Door een harde reactie uit te lokken en Sharon zelf op de
beklaagdenbank te plaatsen wegens Sabra en Sjatila hopen de Palestijnen
de pr-slag te winnen en een soort Kosovo-scenario te creëren. Sharon
heeft het intussen zeker niet gemakkelijk. Gelukkig heeft hij de steun
van de meeste Israëli’s en een kabinet van nationale eenheid, met een
minister van Buitenlandse Zaken die in het buitenland veel respect
geniet en veel van de gemene aanvallen op Israël weet te pareren. Peres
weet haarfijn uit te leggen dat het bloedbad in 1982 in de
vluchtelingenkampen is aangericht door de Falangisten, een christelijke
strijdg