Nieuwe hoogleraar Oorzaken van Mensenrechtenschendingen

Op 10 december 2003 is Fred Gruenfeld bijzonder hoogleraar geworden aan de Universiteit van Utrecht. Voor joods.nl citeren we gedeelten uit zijn toen gehouden oratie.

“Ik beschouw de bevordering van de rechten van de mens en de
bevordering van vrede en veiligheid in de wereld als even belangrijke
doeleinden die bovendien onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Oorlogen veroorzaken altijd grootschalige en flagrante schendingen van
de rechten van de mens terwijl schendingen van de rechten van de mens
als de voorbode van gewelddadige conflicten in de wereld zijn te
beschouwen.

De drie actoren, bij oorlogen en mensenrechtenschendingen zijn de daders, de slachtoffers en de omstanders.

Mijn stelling is dat de rol van de omstander cruciaal is. Als de
omstander geen actie onderneemt staat deze toe dat de dader voortgaat.
Maar als de omstander wel in actie komt ten gunste van het slachtoffer
kan dat er toe bijdragen dat aan de wreedheden door de dader een einde
komt. Kortom in mijn visie is juist de omstander het beste in staat
grootschalige schendingen van de rechten van de mens in de toekomst te
voorkomen of  aan de voortzetting van deze schendingen een halt
toe te roepen.

OMSTANDERS
Meer en meer staat de omstander en niet langer de dader centraal in
onderzoek en educatie. Dat laatste heeft te maken met het gegeven dat
we hoe langer hoe meer kennis nemen van wreedheden overal en daarmee de
rol van de omstander vervullen. Transparante samenlevingen met
massacommunicatie en spionage satellieten leggen zogezegd de hele
wereld bloot. Daarmee worden we allemaal getuige en zitten in de rol
van omstander.

De term omstander heeft een ongunstige (pejoratieve) betekenis
gekregen. Veelal nog ongunstiger dan termen als voorbijganger,
toeschouwer, buitenstaander, waarnemer of getuige. Omstanders worden
dan gezien als degenen die onverschillig staan ten opzichte van de
slachtoffers en een passieve houding innemen. Dit beeld komt tot uiting
in de toeschouwer in Sighet door Elie Wiesel als volgt beschreven:

“Mijn ouders en ik stonden bij het hek…. Toen opeens zag ik hém. Een
gezicht achter het raam aan de overkant… Een onbeduidend, alledaags,
verveeld, gezicht: door geen enkele hartstocht aangedaan. Ik bleef er
lang naar kijken. Hij keek naar buiten, drukte geen medelijden, geen
vreugde, geen geschoktheid, zelfs geen woede of belangstelling uit.
Onbewogen, koel, onpersoonlijk. Het schouwspel liet hem onverschillig.
Wat! Die mensen gaan sterven? Dat is niet zijn schuld, kom nou; hij
heeft de beslissing niet genomen. Hij is niet pro-joods en niet
anti-joods: alleen maar een toeschouwer, dat is alles.

Zeven dagen lang liep de binnenplaats van de oude synagoge vol en weer
leeg. Hij stond achter de gordijnen te kijken. De politieagenten
sloegen vrouwen en kinderen: hij kwam niet van zijn plaats. Het ging
hem niet aan. Hij was slachtoffer noch beul: getuige dat was hij. Hij
wilde zijn rust… De anderen, alle anderen, dat was hij. De derde hoek
van de driehoek. Tussen slachtoffers en beulen bestaat een
geheimzinnige band: zij behoren tot dezelfde wereld… Met de ander is
dat echter niet zo. De getuige ontgaat ons geheel. Hij kijkt zonder
gezien te worden. Hij is er zonder op te vallen. Het voetlicht
beschermt hem. Hij applaudisseert niet, hij protesteert niet: zijn
aanwezigheid is vaag, verplicht hem minder dan afwezig te zijn. Hij
zegt geen ja en geen nee, ook geen misschien. Hij zegt niets. Hij is
er, maar hij doet of hij er niet is. Erger hij doet alsof wij er niet
waren.”

In beginsel is de omstander noch dader, noch slachtoffer maar de derde
partij die er wel bij aanwezig is of er zich bewust van zou kunnen zijn
maar niet op voorhand tot de groepering van de daders of van de
slachtoffers gerekend kan worden. In bovenstaand voorbeeld waar de
omstander niet handelt, laat deze de dader zijn gang gaan en door niet
te handelen maakt de omstander mogelijk