Leuk of niet: de EU heeft ook in Israël niets te zeggen


Dankzij de inspanningen van EU-voorzitter Nederland stemde deze keer alle EU-lidstaten vóór de motie van de VN waarin Israël wordt opgeroepen de veiligheidsmuur af te breken. Tom Spiero vraagt zich af in hoeverre dit imago van eenheid zich laat vertalen naar een imago van macht.

Xavier Solana, de EU buitenland chef, bezocht de afgelopen week Israël.
Hij had ontmoetingen met minister van Buitenlandse Zaken Sylvan Shalom
en Avodah voorman Shimon Peres. Op zijn persconferentie, vlak voor zijn
vertrek, benadrukte Solana dat de EU een dikke vinger in de pap heeft
in vinden van een oplossing voor het Midden-Oosten conflict, “of Israël
dat nou leuk vindt of niet.” Over de frustratie van Europa.

Xavier Solana zag aanleiding de Israëlische pers te wijzen op de grote
politieke en economische macht van Europa. Dat doe je meestal niet
wanneer die macht alom erkend wordt. Dan kan je je veroorloven om
zachtjes te spreken. Je draagt immers een hele grote stok mee.
Het bezoek van Solana vond plaats kort nadat de Algemene Vergadering
van de Verenigde Naties met grote meerderheid een motie had aangenomen
waarin Israël werd opgeroepen uitvoering te geven aan de uitspraak van
het Internationaal Gerechtshof in Den Haag de veiligheidsbarrière
tussen Israël en de door de PA bestuurde gebieden af te breken en
schadevergoeding te betalen aan de getroffen Palestijnen. Dankzij de
inspanningen van EU voorzitter Nederland, stemde deze keer alle EU
lidstaten vóór de motie. Nou ja: dankzij.

Wat is de EU eigenlijk? Het is een containerbegrip dat de 25 Europese
landen die er deel van uitmaken, promoten, om zodoende een zeker imago
van eenheid uit te stralen. Dat imago van eenheid moet zich dan
“vertalen” in een imago van macht. Dat is geen eenvoudige opgave. De
Europese politici worstelen er dan ook danig mee. Zij realiseren zich
dat macht voortkomt uit één van tweeën: legitimiteit of onderdrukking.
Legitimiteit is een wat plechtig woord voor de erkenning door de
bevolking  dat de besturende klasse haar belangen naar eer en
geweten namens haar behartigt. Naar gelang de kijk van de besturende
klasse op zichzelf, zal zij over de bevolking spreken als “het volk” of
“de kiezers”. Onderdrukking is, na zo?n vijfhonderd jaar oorlog voeren,
binnen Europa geen reële optie meer. En met de legitimiteit wil het ook
nog niet echt lukken. Veel Europese kiezers hechten nog te zeer aan de
eigen nationaliteit om vrijwillig in een groter geheel op te gaan. Dat
geldt evenzeer voor de politici.

Het machtigste orgaan binnen de EU is de Raad van Ministers. Daar
treffen de chefs van de nationale regeringen elkaar. Die worden door
zowel “de kiezers c.q. het volk” als de eigen besturende klasse
beoordeelt op de mate waarin zij het eigenbelang van beide dienen. Nou
niet direct de ideale omstandigheid om tot een imago van eenheid te
komen. Daarom ook komen de chefs haast iedere keer weer uit bij een
kleurloze (kandidaat-) voorzitter van de Europese Commissie. De
gedachte dat een permanente zetel in de Veiligheidsraad van de
Verenigde Naties voor de EU in het verschiet ligt, onder het
tegelijkertijd opgeven dan de permanente zetels van Frankrijk en
Engeland, werkt niet eens op de lachspieren. Het is een ondenkbare
situatie.

Europa is in het Midden-Oosten geen onbekende. De landen die nu samen
het Midden-Oosten uitmaken zijn ontstaan op de tekentafels in het
Parijs van 1919. Tijdens het vredesoverleg na de Eerste
Wereldoorlog  zijn het met name de potloden en linialen in Franse
en Engelse handen geweest die de grenzen van de staten in het
Midden-Oosten bepaald hebben. In dat proces zijn meer partijen bedrogen
dan ooit. De nasleep van dat bedrog heet vandaag het Midden-Oosten
conflict.

Europa heeft in het Midden-Oosten een slechte naam. Het wordt gezien
als onbetrouwbaar en opportunistisch. Daardoor overigens li