Israël’s veiligheidshek lucratief voor Palestijnen


Met medeweten van Jasser Arafat hebben Palestijnse handelaren miljoenen euro’s verdiend met het leveren van goedkoop cement voor de constructie van de Israëlische veiligheidsbarrière.

In de Sunday Telegraph van 24 juli jl. schrijft Inigo Gilmore dat de
Palestijnse leider hiervan volledig op de hoogte was. Ondanks zijn
herhaalde publieke uitspraken dat de ‘racistische, zionistische
constructie’ een ‘misdaad tegen de menselijkheid’ is, ondernam Arafat
geen enkele actie.

Het cement was afkomstig van Egyptische bedrijven, die het
bouwmateriaal met een korting van US$ 22 per ton aan de Palestijnen die
daarmee door Israël verwoeste woningen van (vermeende) terroristen
zouden kunnen herbouwen. Het cement werd echter met een toeslag van
zeker US$ 15 (en mogelijk zelfs US$ 100!) per ton doorverkocht aan
Israël. Volgens een vernietigend rapport, opgesteld door drie
onafhankelijke
Palestijnse juristen, werden ambtenaren van de Palestijnse Autoriteit
omgekocht om vergunningen af te geven zodat het cement kon worden
gebruikt voor de bouw van de veiligheidsbarrière van Israël.

Tussen september 2003 en maart 2004 is 420 duizend ton door Egypte en
EU gesubsidieerd cement geleverd aan drie grote Palestijnse bedrijven.
Volgens het rapport is slechts 33 duizend ton daadwerkelijk op de
Palestijnse markt gekomen. Het overgrote deel is op trucks van deze
drie firma’s naar Israël vervoerd. De totale winst voor de eigenaren
van deze firma’s is meer dan 6 miljoen dollar.

Het cement werd onder andere gebruikt voor de constructie van een stuk
muur in het dorp Baqa el-Gharbiya. Het rapport stelt dat hooggeplaatste
PA beambten die het ministerie voor de Nationale Economie in zijn
portefeuille heeft en naaste adviseurs van Arafat hiervan op de hoogte
waren. Een van de drie schrijvers van het rapport, Hassan Khreishe –
een onafhankelijk jurist en reeds lang een criticaster van Arafat –
riep de PA dan ook op om af te treden.
“Welgestelde PA leden met connecties in de hoogste regionen strijken
miljoenen op door onder andere het helpen van Israël bij de bouw van
deze afscheiding, terwijl Arafat en de PA de mensen medt klem oproepen
om te vechten tegen diezelfde afscheiding,” aldus Khreishe,
raadslid in Tulkarem. “Waarom Arafat niets doet, dat weet ik niet. Deze
mensen zijn verraders en brengen schande over ons, zij moeten worden
bestraft.”

Een beambte van het kantoor van Arafat wilde niet ingaan op de
beschuldigingen omdat ‘het dossier is gesloten en is nu in handen van
de Wetgevende Raad is’. De Wetgevende Raad startte vorig jaar een
onderzoek nadat Egyptische journalisten een link ontdekten tussen een
Duits-Joodse zakenman en de Palestijnse bedrijven.

Volgens het rapport is op 9 november 2003 een brief gestuurd aan Arafat
door de accountant van de PA waarin melding wordt gemaakt van een
‘ongelimiteerde’ importvergunning voor het cement. Deze vergunning was
ondertekend door Maher al-Masri, de Minister van Economische zaken. De
accountant gaf aan dat het cement bestemd was voor de bouw van het
antiterroristenhek. De brief is door Arafat ontvangen op dezelfde dag
waarop hij de
mensen opriep om te demonstreren ter gelegenheid van de eerste
internationale ‘dag tegen de muur’. Volgens Khreishe, ondernam Arafat
geen acties om deze importen te stoppen. De importen zijn daarna nog
zeker 5 maanden doorgegaan.
De onthullingen in het rapport zijn bijzonder beschamend voor Arafat
omdat hij de internationale gemeenschap probeert te mobiliseren om de
bouw van de ‘muur’ te veroordelen.

Het onderzoek naar de cementhandel werd al in februari 2004 gestart.
Toen werd de verdenking uitgesproken dat het familiebedrijf Al-Quds
cement, dat in handen is van familieleden van de Palestijnse premier
Qureia bij de zaak betrokken zou zijn.

Bron: