Parsja 02 Jom Kippoer


In het spraakgebruik noemen wij de Grote Verzoendag Jom Kippoer. Maar de Tora spreekt over Jom haKippoeriem, de dag van de verzoeningen. Wij proberen zowel op het intermenselijke vlak als tussen mens en G’d, in het reine te komen. Van ons worden duidelijke keuzes verwacht.

Centraal in de dienst van Jom Kippoer in het Beet ha-Mikdasj stond de
loting van de twee bokken. De bok waarop het lot ‘voor Hasjeem’ viel,
werd als zondoffer gebracht en de bok waarop het lot “voor Azazel”
viel, moest weggezonden worden naar de woestijn (Wajikra 16:5 e.v.).
Onze Chagamiem (Wijzen) benoemden deze dienst als een chok, een
onbegrijpelijk voorschrift. Toch probeerden vele meforsjiem
(verklaarders) in de loop der eeuwen een rationele uitleg te geven.
Rabbi Jitschak Abarbanel (1437-1508) zag hierin een symbolisch gebed in
de vorm van een offerdienst. De beide bokken, die volledig gelijk
moesten zijn, staan voor Ja’akov en Esau, die – als tweelingen geboren
– een gelijke bestemming zouden hebben. Toch heeft het niet zo mogen
zijn. Ja’akov werd de voorvader van het monotheïstisch Jodendom; Esau
werd de voorvader van het heidense Romeinse rijk. Spiritualisme – het
Jodendom – en materialisme zouden in een eeuwige strijd verwikkeld
blijven.

De Koheen Gadol sprak een zondenbelijdenis uit over de weg te zenden
bok om daarmee aan te geven dat hij alle dwalingen van het Joodse volk
toeschreef aan assimilatorische invloeden vanuit vreemde omgeving. Het
wegsturen van de bok drukte het verlangen uit dat wij verder verschoond
zouden blijven van vreemde invloeden, zodat wij ons volledig zouden
kunnen wijden aan het ontplooien van onze ware identiteit en roeping.
Rambam (1135-1204) was het niet eens met het idee van de
“zonde-overdracht”; Rav S.R. Hirsch (1808-1888) volgt de gedachtegang
van Rambam. Hij ziet in de twee gelijke bokken de keus van ieder mens.
Het lot staat dan voor de keus tussen goed en kwaad, een geestelijk of
een aards leven. Deze twee opties, waartussen vele mensen moeilijk
kunnen kiezen, lijken gelijk maar leiden op langere termijn tot twee
geheel verschillende resultaten. G’d houdt beide krachten in evenwicht
om de mens de reële keuze te bieden.

Widoej (zondebelijdenis) en Tesjoeva zijn vandaag
verplicht. Ook een Tsaddiek doet tesjoeva, want stilstand is
achteruitgang. Ook onze goede daden moeten onderzocht worden, niet
alleen de slechte. Jom Kippoer is het volgende stadium van religieuze
groei, na Sjabbat Sjoewa.

Van Sjoewa tot Jom Kippoer
We lazen de afgelopen Sjabbat Sjoewa  het lied Ha’azienoe. Het
lied vormt een inleiding op de verzoening tijdens de Hoge Feestdagen.
Ha’azinoe komt als een climax na een lange deprimerende terugblik op de
geschiedenis van het Joodse volk. Gedurende het hele boek Dewariem
benadrukt Mosje ons gebrekkige geloof. Het volk was niet alleen
constant opstandig in de woestijn maar zij leken dat ook in de toekomst
te zullen blijven. Hoewel het volk regelmatig gewaarschuwd werd tegen
afvalligheid twijfelt Mosje er niet aan, dat zij op den duur weer
zullen vervallen tot hun onjoodse praktijken.

Ballingschap

Het uiteindelijke gevolg hiervan zullen ballingschap en tsores zijn.
Ha’azienoe bereidt ons voor op de problemen van het galoet (goles).
Volgens Rabbiner Hirsch is het lied een antwoord op de vragen die het
Joodse volk zal hebben gedurende de diaspora. “Deze ellende is over ons
gekomen omdat G’d niet langer onder ons is – Hij heeft ons verlaten”.
Ha’azinoe leert ons dat galoet niet over het Joodse volk gekomen is
omdat G’d hen verlaten heeft maar omdat zij G’d verlaten hebben.

Bescherming verwijderd
De Malbiem, een tijdgenoot van Rabinner Hirsch, ziet in Ha’azienoe ook
een beschrijving van onze galoet-levensstijl: een beetje “los van G’d”,
helaas. Midden in Ha’azienoe (Dewariem 32:20) zegt G’d: “Ik za

Advertentie (4)