Samenwerking NAVO, Israël en Arabische landen


Vertegenwoordigers van de NAVO, Israël en zes arabische landen hebben op het NAVO hoofdkwartier in Brussel overlegd over nauwere samenwerking in het kader van de ‘Mediterrane dialoog’, een tien jaar geleden gestart samenwerkingsverband tussen de NAVO en genoemde landen.


Het overleg heeft als resultaat opgeleverd dat de NAVO nauwer gaat samenwerken met Israël, Algerije, Egypte, Jordanie, Marokko, Tunesie en Mauritanie in de strijd tegen het internationale terrorisme. Dat heeft de hoogste militair van de NAVO, de Duitse generaal Harald Kujat, woensdag bekendgemaakt. Het gaat hoofdzakelijk over het uitbreiden van de uitwisseling van informatie over terreurnetwerken, aldus Kujat.


Naast een militaire dialoog staat ook een politieke dialoog op de agenda. De Israëlische minister Shalom is uitgenodigd om met zijn collega’s van de andere ‘dialoog’-landen aan te schuiven bij een ministeriele NAVO-raad die volgende maand in Brussel plaatsvindt. Het zal de eerste keer zijn dat ministers uit de zuidelijke Mediterrane landen meedoen aan een NAVO-bijeenkomst.


Behalve een ruimere uitwisseling van informatie zullen in het kader van de Mediterrane dialoog ook gezamenlijke legeroefeningen gehouden worden. Hiermee participeert het Israëlische leger (IDF) voor het eerst in de geschiedenis in multinationale militaire oefeningen. Op een top van de NAVO ministers van buitenlandse zaken op 8 december zal verder worden onderhandeld over samenwerking in de strijd tegen terreur.


De secretaris-generaal van de NAVO, Jaap de Hoop Scheffer, heeft op 16 november in een interview met de Financial Times geopperd dat NAVO-troepen de Gazastrook intrekken zodra Israël de nederzettingen daar heeft ontruimd en zich heeft teruggetrokken uit het gebied. De Hoop Scheffer verbindt een verzoek van Israël en de Palestijnse Autoriteit aan de eventuele inzet van NAVO-troepen. Hij hoopt dat zijn organisatie een diplomatieke rol kan spelen, met het oog op het verbeteren van de transatlantische relatie, die door de Irak-oorlog onder druk was komen te staan.


Bron: CIDI, 26 november 2004