Op bezoek in de Mukata’a


Uit het dagboek van een vredestichtertje. Aflevering 49: Eldad Kisch bracht, daags na het overlijden van Jasser Arafat, met vertegenwoordigers van de internationale organisatie Physicians for Human Rights, een bezoek aan de mukata’, het voormalige hoofdkwartier van de Palestijnse leider in Ramallah.

Ik dacht dat we eigenlijk naar Qalqiliya zouden gaan, maar er was een verandering van het laatste moment: het werd Ramallah. En niet zomaar Ramallah; het hele bestuur van “Physicians for Human Rights” (PHR) en vrijwilligers ging hun respect betuigen bij het graf van Arafat in de Mukata’a in Ramallah en ook een krans leggen. Daarna zouden we verder de medische verrichtingen verrichten.
Nou, dat was weer even een echt uitje. Ik verwachtte lange rijen van betraande Palestijnen, maar niks, er was geen kip. Zes Palestijnse soldaatjes stonden kleumend als erewacht bij het graf. Het graf, met ruimte voor zeker zes man onder de grond, was bedekt met kransen van de meest uiteenlopende hoogwaardigheidsbekleders van over de hele wereld. Onze krans werd door twee soldaten in houterige paradepas op het graf gelegd. Net echt. Binnenkort wordt de aflossing van de wacht ook zo’n bezienswaardigheid, daar zijn ze nog niet helemaal klaar mee, die moet eerst goed ingestudeerd worden.
Daarna ontvangst in de Mukata’a, in de eetzaal van Arafat. Zijn slaapkamer was nog niet klaar voor bezoek, maar het plan is om er een soort Versailles van te maken. Het ziet er precies zo kapotgeschoten uit als we het al jaren op het nieuws konden zien.

Wij werden toegesproken door de oude, getrouwe chef de bureau van Arafat, Dr. Sami Salam, een klein mannetje die over zijn nette pak een wat morsige toga droeg. Hij zag er een beetje uit als de pedel van de Amsterdamse Universiteit, maar met geel op zijn revers en op zijn mouw. Hij sprak gevoelig over Arafat in het engels, en pinkte van tijd tot tijd een traan weg.
Daarna kreeg de oprichtster en erevoorzitser van PHR, Dr. Roechama Marton, het woord. Ze vertelde wat een aardige man Arafat was, en op een geven moment werd haar stem door tranen verstikt. Ik vond het eerst een beetje overdreven en ik schreef het toe aan de eisen van de couleur locale, maar al gauw bleek dat ze het echt meende toen ze begon over zijn vredelievendheid.

Alsof dit niet genoeg was, nam een van onze Arabische vrijwilligsters het woord, en die barstte echt in snikken uit. Ik dronk ondertussen steels een kopje koffie.
De ceremonie was een beetje dwaas, en hoe links kan een mens al zijn.
Buiten gekomen stonden er enkele Palestijnse ministers, die ik niet bij name kan noemen, en die drukten we allemaal ontroerd de hand.

Toch wel even een belevenis die Mukata’a: Palestijnse historische grond.
De rest van de dag verliep verder zonder schokkende gebeurtenissen en de chumus in het cafe op het eind van de werkdag smaakte goed.