Wie is bang voor Hamas?


In het Belgische politieke internettijdschrift Uitpers.be gebruikt journalist Wim de Neuter Palestinakenner Lucas Catherine’s boek ‘Palestina, de laatste kolonie?’ uit 2002 als basis voor een inventarisatie en evaluatie van de huidige stand van zaken binnen de Palestijnse machtsverhoudingen.

Mahmoud Abbas, de president van het Palestijnse Nationale Gezag (PNA),
opvolger van Jasser Arafat en leider van  Fatah, de grootste van
de Palestijnse politieke partijen, heeft eind mei in nauwelijks
achtenveertig uur, twee forse blamages opgelopen.

Tijdens zijn bezoek aan Washington op 26 mei toonde George W. Bush zich
uiterst gul en beloofde de Palestijnse president een forse financiele
injectie voor de totaal verwoeste Palestijnse economie. Wat later bleek
Abbas zich blij te hebben gemaakt om een dooie mus. Het Amerikaanse
Congres onderwerpt de Amerikaanse financiele steun aan de Palestijnse
overheid aan een reeks strenge voorwaarden. Enkele uren later kondigde
Mahmoud Abbas aan dat de voor 17 juli geplande parlementsverkiezingen
voor onbepaalde tijd zijn opgeschort. Abbas had zichzelf en zijn
Amerikaanse Israëlische gesprekspartners nochtans beloofd om het
Palestijnse Nationale Gezag grondig te democratiseren. De verkiezingen
van 17 juli zouden de kroon op dit werk moeten zetten. Maar Abbas viel
over een nieuwe kieswet, die door het Palestijnse parlement was
goedgekeurd. De Palestijnse president vreest dat de nieuwe kieswet te
gunstig uitvalt voor de radicale islamistische Hamas en een reeks
kleinere partijen. Hij stelde zijn veto en verdaagde meteen de
parlementsverkiezingen. Palestina-kenner Lucas Catherine maakt een
balans op van de electorale successen en sterkte van deze Palestijnse
fundamentalistische beweging. Een gesprek.

Sinds zijn verkiezing tot Palestijns president in januari 2005 heeft
Mahmoud Abbas in alle belangrijke kanselarijen van de wereld ? het
Witte Huis voorop ? veel lof gekregen. Maar van lof alleen leeft een
nieuwe president niet. Het onderhandelingsproces met de regering Sharon
geraakt moeilijk op de sporen. Er is de voorbije maanden eens te meer
veel blijk van immobilisme gegeven. Abbas had een opsteker nodig. En
die kwam er dank zij zijn audientie op het Witte Huis op 26 mei. De
Palestijnse president zou niet met lege handen naar huis gaan. De
regering Bush had hem niet minder dan 350 miljoen dollar in het
vooruitzicht gesteld voor de wederopbouw van de Palestijnse economie,
de politieke instellingen die door het gespierde militaire optreden van
de Israëlische premier Ariel Sharon tot nul zijn gereduceerd en voor de
uitbouw van een efficient Palestijns veiligheidsapparaat dat de strijd
tegen het terrorisme moet aanpakken. Bush had voorgesteld dat een
eerste schijf van 200 miljoen dollar direct zou worden overgemaakt aan
de Palestijnse overheid.

Het Amerikaanse Congres besliste er anders over. De Amerikaanse
dollarstroom gaat niet naar de PNA, maar wordt door Amerikaanse
hulporganisaties en een netwerk van niet-gouvernementele en caritatieve
organisaties verdeeld in de bezette Palestijnse gebieden. Het gaat niet
om de beloofde 200 miljoen dollar, maar over 150 miljoen dollar. Om het
affront te vervolledigen keurde de Amerikaanse volksvertegenwoordigers
meteen ook een gift van 50 miljoen dollar goed aan de staat Israël voor
de bouw van schuilkelders in de buurt van de militaire checkpoints van
het Israëlische leger op de bezette Westelijke Jordaanoever. En klap op
de vuurpijl: 2 miljoen dollar van de voorziene pot gaat naar de
lobbygroep Hadassah, de vereniging van zionistische vrouwen in de
Verenigde Staten. Met andere woorden: meer dan kwart van het aan Abbas
beloofde geld gaat naar de staat Israël en zijn aanhangers in de VS.

Verkiezingen uitgesteld
Even pijnlijk voor Mahmoud Abbas zijn de verkiezingsperikelen. Bij de
lokale verkiezingen van 5 mei