Een joods gesprek met?David Hofstede

In een nieuwe serie portretten geven bekende en onbekende joodse Nederlanders zich bloot. Zij beantwoorden vaste vragen. Waar zijn ze opgegroeid, voelen zij zich joods, hoe denken ze over de situatie in Israël, wat zijn hun favoriete plekjes?Deze keer: David Hofstede, een 61-jarige Amsterdammer die zijn vader op handen droeg, zich in Israël pas echt joods is gaan voelen, vanwege eerste generatieproblematiek bij een psychiater liep en beslist niet te porren is voor gefillte fisch.

David Hofstede in zijn huiskamer in een buitenwijk van AmsterdamOpvoedingIk ben geboren in Rotterdam en vlak daarna verhuisd naar Arnhem. Mijn joodse vader Izaak heb ik niet lang gekend. Ik was vijf jaar toen hij door de Duitsers werd opgepakt. Mijn vader zat in een joodse verzetsgroep te Arnhem en werd in maart ?44 gearresteerd en naar Auschwitz op transport gezet. Een van de leden van die verzetsgroep was na martelingen doorgeslagen. Ik heb nog een brief van mijn vader vanuit Westerbork aan mijn moeder, waarin hij schrijft dat hij de volgende ochtend op transport zou gaan, maar niet wist waarheen. Later moest ik met mijn moeder en broertje weg vanwege de Slag om Arnhem. We kwamen in Friesland terecht waar we bij een bakker in huis hebben gezeten.Mijn moeder leerde een nieuwe man kennen met wie ik niet kon opschieten. Ik kon hem niet accepteren. Ik hoopte dat mijn vader terug zou keren uit de oorlog. Er was geen officiële doodverklaring van hem. Op mijn zeventiende ben ik naar Amsterdam vertrokken. Thuis hield ik het niet uit. Ik haatte mijn stiefvader. De man was emotieloos en hield niet van kinderen. Met mijn moeder, die drie jaar geleden is overleden, had ik geen goed contact omdat ze voor die man had gekozen. In de oorlog gaf ze haar liefde aan mij, en daarna uitsluitend aan hem.Ik ben niet-joods opgevoed. Mijn moeder is niet-joods en mijn stiefvader ook niet. Ik werd een paar keer naar zondagsschool gestuurd. Maar ik verkeerde toen ook wel in joodse kringen. Ik trok in Arnhem met liberale joden op en at op sjabbesavond kippensoep.Ik had vragen over mijn joodse afkomst, maar durfde daar niet vaak met mijn moeder over te praten. Mijn stiefvader zat er altijd bij. Mijn eigen vader droeg ik op handen. Hij was een goed mens. Zijn laatste schoenen heeft hij weggegeven. Ik bleef hopen dat hij uit de oorlog terug zou kerenEerste generatieDe eerste zes levensjaren zijn heel belangrijk. Voor mij werden die jaren grotendeels beheerst door de oorlog. Ik had een hypernerveuze moeder die doodsbang was met een man in het verzet. Ja, ik behoor tot de eerste generatie. Ik ben voor de oorlog geboren. Dus het is niet verwonderlijk dat ik op mijn 55e bij een psychiater terechtkwam. Ik was overspannen geraakt; had een nervous breakdown. Ik volgde in die periode computerles. Iemand legde me iets uit en het drong helemaal niet tot me door. Ik begon te bibberen en te huilen en had een heftig doodsverlangen. Het bleek te maken te hebben met een onverwerkt verleden: mijn nare jeugd tijdens de oorlog en erna, familie die is weggevoerd. Bij mij kwam er toen een enorm zelfmedelijden los. Vóór de therapie wilde ik nooit praten over dat eenzame, verdrietige kind.Ergernis in joods NederlandIk erger me aan joodse vrouwen met te veel sieraden. Ook houd ik niet van hun luidruchtigheid in verschijning en taal. Verder heb ik een hekel aan fundamentalisme, in welke godsdienst dan ook. Bij mij in Buitenveldert zie je kleine jongetjes met pijpenkrullen en van die bleke koppies. Dat vind ik een zielig gezicht. In Israël heb ik me geërgerd aan scènes bij de bus: het dringen om erin te komen en dan te laat zijn als je niet snel genoeg bent.Jiddisj?Mesjogge? en ?mazzel? zijn Jiddisje woorden die ik wel eens gebruik. En ?niges? zeg ik bijvoorbeeld over de plaats waar vroeger in Amsterdam het Huis van Bewaring stond: er zit duidelijk niges op die plek waar nu het Max Euweplein is. Die plek loopt niet. Als iemand ?schatsi? zegt, dan vind i