Het is nooit stil in Rafah


Oscar Garschagen, Midden-Oostencorrespondent van NRC Handelsblad, was de afgelopen dagen in Rafah en beschrijft wat hij zag en hoorde.

In Rafah klinkt maar een monotoon verhaal, het verhaal van de Israëlische catastrofe.
Alleen de details verschillen van persoon tot persoon. Weer gedwongen verhuizen, voor de vierde keer in drie jaar.

Rafah is ground zero van het Palestijns-Israëlisch
conflict. ‘s Nachts zware, vèrdragende explosies van inslaande
raketgranaten en ontploffende mijnen, minutenlang machinegeweervuur,
droge pistoolschoten en ambulancesirenes.
Overdag een geluidsbrij van blerende radio’s, kinderen die zich
stierlijk vervelen,televisies, moskeeen en bulldozers. In de muur van
decibellen worden leemtes gevuld door het sonore wespengebrom van
onafgebroken patrouillerende onbemande verkenningsvliegtuigjes.

De monotonie van het geluid in de vluchtelingenkampen en woonwijken
langs de grens met Egypte en het joodse nederzettingenblok Gush Katif
is verpletterend.
Even geestdodend als de levens en verhalen van de bewoners over hun
geschiedenissen en actuele belevenissen tijdens de manouvres van het
Israëlsiche leger, die het etiket Operatie Regenboog heeft gekregen. In
Blok O, Blok J, Brazil, Kamp Canada of Tel Sultan is er maar één
obsessief verhaal en dat is het verhaal over “de situatie”, of zoals de
ouderen, die de oorlog van 1948 nog hebben meegemaakt, zeggen “de
catstrofe” (Al Nakba). Alleen de details verschillen van persoon tot
persoon.

Neem Tala Zanoun, die zijn achternaam pas geeft als een Palestijnse
journalist heeft verzekerd dat de Nederlandse verslaggever geen spion
is. Tala is hoofd van Zanoun familie in Blok O, waar hij 35 jaar
geleden ook geboren is. Hij is dit weekeinde voor de vierde keer in
drie jaar  met zijn vrouw en twaalf kinderen verhuisd. Vluchten
kan niet – want waar naar toe – maar een paar straten verkassen is wel
mogelijk.  Van een vlucht op grote schaal blijkt geen sprake te
zijn, wel van een verplaatsing van het ene krot naar een andere
bouwval. Zijn eerdere huizen lagen vlak aan de Philadelphi-route, de
grenscorridor, en zijn gesloopt.
Hij laat zijn nieuwe onderkomen zien: twee schuren die met een
overdekte binnenplein met elkaar verbonden zijn. Op het tapijt stalt hij
de resten uit van groen/bruine hulzen van tankgranaten die zijn eerdere
huizen verwoest zouden hebben. Zanou is – al vijf jaar – werkloos, net
als iedere man in het blok. En wie niet werkloos is wordt betaald door
een internationale instelling of door de Palestijnse Autoriteit, want
gewoon werk is er allang niet meer in dit deel van de Gazastrook.

Zijn verhaal verschilt niet wezenlijk van dat van Insra Abanasha (62),
die gisteren haar bepakte ezel langs puinhopen van brokken beton en
verwrongen staal leidde om haar huisraad – matrassen, kookgerei en een
plastic watertank – op te halen. Ze is geschiedenis in levenden lijve.
Geboren in Beer Sheva in de Negev-woestijn en opgegroeid in Jaffa-
allebei Israëlisch gebied. Vervolgens woonde ze als tiener in Libanon.
Als getrouwde voruw is ze in Gaza terecht gekomen. Een levenlang op de
vlucht. “We kunnen nergens meer naar toe. Wat zijn ze aan hetr doen met
ons? Waarom doet niemand iets?”
Als bij Tala Zanoun de koffie is geserveerd, komen de vermeende
smokkeltunnels ter sprake, de tunnels waar het volgens het Israëlische
leger allemaal om te doen zou zijn.
“Daar zijn veel te arm voor. Je moet een startbudget hebben van 30.000
dollar om een tunnel aan te leggen . Hoe kan dat met een gezin van
vijftien? We hadden in ons blok geen enkele tunnel. De Israëliërs
graven die tunnels zelf en geven ons dan de schuld. Ze graven met hun
handen en met machines. Zij willen ons opnieuw op de vlucht jagen.”

Zijn verhaal is oncontroleerbaar in een uithoek van de wereld waarin
ger