Israëlische soldaten willen weg uit Gaza


Reservisten voelen zich de chauffeurs en dienstbodes van de kolonisten, en bijna 50% van alle jonge dienstplichtigen vindt het weigeren van dienst in de bezette gebeiden een respectabele zaak.


Op het bureau van premier Sharon ligt een brief van 46 paracommando’s
van de Alexandroni Brigade. Reservisten die een keer per jaar een maand
lang dienst doen in een van de gevaarlijke gebieden in het
Midden-Oosten, de Gazastrook.
“Wij willen niet sterven voor deze kolonisten in Netzarim”, schrijven de commando’s aan Sharon.
“Wij hebben daar niets te zoeken. Er is geen logica in het bewaken van
geisoleerde nederzettingen met nog geen zestig huizen. Wij zijn de
dienstbodes en chauffeurs geworden van de kolonisten”, schrijven ze.
Onder hen de plaatsvervangend commandant van een van de bataljons.
“Waarom moet ik zelfmoord plegen voor de zestig families van Netzarim”,
vraagt reserve-majoor Michel Halimi, bepaald geen dienstweigeraar, zich
af.

Netzarim is een van de 21 joodse nederzettingen in de Gazastrook die
premier Sharon wil ontruimen. De regering is over dat plan diep
verdeeld en de voor zijn politieke bestaan vechtende Sharon heeft de
stemming afgelopen zondag na een hefttig, zeven uur durend debat, met
zeker een week uitgesteld.

Het gehucht Netzarim is vanuit Israël alleen bereikbaar via een
speciale weg. Bewoners en bezoekers mogen alleen in zwaar gepantserde
bussen worden vervoerd. In de brief brengt Halimi een tekenend incident
te sprake. Tijdens de laatste tour of duty hield hij voor vier
omgekomen soldaten een herdenkingsdienst, waardoor een gepland konvooi
20 minuten later vertrok. Hij en zijn collega’s kregen vervolgens een
uitbrander van de kolonisten, die zich bij een hoge officier gingen
beklagen over het verlate vertrek van de bus.

Drink een kop koffie in tel Aviv, Jaffa of Bat Yam, sla de krant op of
maak een praatje in de winkel en het is duidelijk dat de paracommando’s
(en Sharon) niet de enigen zijn die de Gazastrook beschouwen als een
hel en daar weg willen.

In cafe Nordau in Tel Aviv zegt Avi Saban, eigenaar van een garageketen
en vader van een zoon en dochter in het leger “Gaza gekkenwerk” te
vinden. Het emotionele crisisachtige debat in de  regering ziet
hij als een “bewijs dat Israël geregeerd wordt door extremisten”. Geen
krant in Israël is het daarmee oneens. “Het is onhoudbaar. Waarom
moeten wij daar onze zonen en dochters opofferen?” argumenteert
Mordechai Edelstein, ondernemer en reservist, na zijn lunch in Jaffa.

Miliatire historici denken bij het horen van dergelijke uitspraken dat
het silzwijgende convenant tussen de bevolking en het leger onder grote
druk staat. Dat convenant behelst dat de politieke en militaire top
alleen de levens van jonge soldaten of vaders van families op het spel
zet als vitale veiligheidsbelangen in het geding zijn.

Een brief als die van de Alexandroni-soldaten, talrijke
opiniepeilingen, het debat over het weigeren van dienst in de bezette
gebieden tonen aan  dat het voor een flink deel van de bevolking
geen vanzelfsprekende bron van trots is om in het leger, laat staan in
de Gazastrook, te dienen. Bijna de helft van de jonge dienstplichtigen
vindt het weigeren van dienst in de bezette gebeiden een respectabele
zaak. De dood, eerder deze maand,van dertien soldaten in de Gazastrook
en de weinig verheffende beelden van de Operatie Regenboog in Rafah
hebben het “Weg uit Gaza”-kamp versterkt.

Tegen deze achtergrond heeft de crisis in de regering een
surrealistisch karakter. Sharon heeft gelijk, vindt een meerderheid van
de bevolking (en de Amerikaanse en Europese regeringen en de
Palestijnse Authoriteit), maar of hij dat krijgt is de met veel
twijfels omgeven vraag die Israëliers, commentatoren en diplomaten zich
stellen.

De crisis voltrekt zich in bedrijven, want Sharon heeft de ste