Post-Gaza Blues


Hoe onvolmaakt Sharon’s Gaza-plan ook is, een Israëlische regering heeft tenminste opnieuw laten zien dat het de confrontatie met haar politieke tegenstanders aandurft als het ‘nationaal belang’ dat vraagt. De bezetting kan niet eeuwig als excuus voor dadeloosheid en wanbeleid worden gebruikt, en ook Palestijnse leiders zullen ooit op hun daden worden beoordeeld, schrijft historicus Bert de Bruin.

Vorige week citeerde een verslaggever op de Israëlische televisie een
legerwoordvoerder die zei “Wij hebben de operatie met succes
uitgevoerd, nu is het aan de politici om de wonden te laten helen en de
revalidatie te beginnen.” Alhoewel de woordvoerder het alleen over
Israël zelf had, kan iets soortgelijks worden gezegd over de
internationale gemeenschap en over de Palestijnen.

In de afgelopen weken is er in Israël geschiedenis geschreven. Voor het
eerst in de geschiedenis van de joodse staat gaf de regering uit eigen
beweging land op dat in een oorlog was veroverd, zonder dat duidelijk
was dat aan Palestijns-Arabische zijde hier iets tastbaar positiefs
tegenover zou staan. Het ging ‘slechts’ om zo’n tienduizend kolonisten
die gedwongen werden hun huizen te verlaten, maar de emotionele – soms
ietwat gedramatiseerde of hysterische – scenes maakten voor veel
Israëliers duidelijk wat ze al wisten: het gaat hier vaak om mensen die
geloven dat hun aanwezigheid in bezet gebied een goddelijke opdracht
is, dat het weggeven van delen van het Land aan niet-joden letterlijk
zonde is, en dat Sharon hen en Israël verraden heeft . Het vertrouwen
in en respect voor de staat heeft door de terugtrekking bij veel –
vooral religieuze – Israëliers blijvende schade opgelopen. Nu ook de
laatste van de 25 nederzettingen die onder het plan vielen ontruimd is
kan worden vastgesteld dat de vertegenwoordigers van de
kolonistenbeweging en andere tegenstanders van Sharon – die veelal tot
op het laatst volhielden dat dit ‘duivelse’ plan niet zou worden
uitgevoerd – ongelijk en een flinke politieke dreun hebben gekregen.
Toch staan zij er politiek waarschijnlijk veel beter voor dan de
Israëlische premier zelf.

Het is duidelijk dat de terugtrekking uit de Gaza-strook niemand
tevreden stelt. Om op wat voor manier dan ook tot een internationaal
erkende en gesteunde modus vivendi – en wie weet, werkelijke vrede –
tussen Israël en de Palestijnen te komen zal Israël afstand van een
aanzienlijk deel van de nederzettingen in de Westoever moeten doen. Het
gaat daarbij om veel meer dan tienduizend kolonisten. Om zoiets zelfs
maar bespreekbaar te maken zijn twee dingen een absolute vereiste:
Europa en de Verenigde Staten zullen Ariel Sharon meer moeten bieden
dan de prijzende woorden en de photo-ops die hij tot nu toe van hen
gekregen heeft, en de ‘leiders’ van de Palestijnse Autoriteit moeten nu
eindelijk eens laten zien dat het hun menens is als ze terrorisme
afwijzen of veroordelen. De aanslag afgelopen zondag in Be’er-Sheva en
de raketten – made in Iran – die vorige week vanuit Libanon richting
Israël werden afgevuurd beloven niet veel goeds wat betreft de goede
bedoelingen aan de ‘Arabische kant’ van het conflict.

Het was al lang duidelijk dat er snel na de uitvoering van Sharon’s
plan nieuwe verkiezingen zullen komen. Het aftreden van zijn grootste
politieke rivaal, Binyamin Nethanyahu, aan de vooravond van de
ontruimingsoperatie bevestigde dit alleen maar. Sharon zal aan die
verkiezingen alleen kunnen deelnemen als hij een meerderheid van de
Likud-kiezers achter zich zal krijgen, of als hij er in slaagt zichzelf
aan het hoofd te plaatsen van een nieuwe politieke partij of beweging,
al dan niet in samenwerking met kopstukken van andere partijen. Beide
scenario’s zijn niet erg waarschijnlijk, tenzij de Palestijnen en hun
leider Abu Mazen voor grote verrassingen zullen zorgen. Voorlopig ziet
het er naar uit dat de woede, angst en frust