Simon Soesan

Afl. 9: Het verhaal van Chamdi en Maria.
Weinig Israëlis liggen ervan wakker dat Palestijnse terroristenleiders geliquideerd worden door het leger. Maar hoe zit het met  de onschuldige omstanders die daarbij betrokken raken? Trekt iemand zich hun lot aan? Draagt Israël verantwoordelijkheid voor hun toekomst?


Het verhaal van Chamdi en Maria

Een waar gebeurd verhaal om 2007 mee te beginnen

Onze regering en ons leger zoeken terroristenleiders. Waar dan ook en wanneer dan ook. Er kan gediscussieerd worden over de juistheid van deze politiek, maar steeds vaker lukt het om, vanuit een gevechtshelikopter, deze mensen, die anderen erop uit sturen om onze burgers te doden, met een raket uit te schakelen. Echter, vrijwel niemand is zich bewust van het lot van onschuldige omstanders die daar vaak bij betrokken zijn.

Zo ook eind mei 2006, toen twee beruchte terroristenleiders, middels een raket, door Israëlische gevechtshelikopters gedood werden. Diezelfde dag was Chamdi verbaasd toen zijn broer hem trots zijn net gekochte tweedehands auto kwam laten zien. De broers waren simpele bouwvakkers. Chamdi was verantwoordelijk voor drie gezinnen. Het zijne, dat van zijn ouders en van zijn schoonouders.
Verbaasd keek Chamdi naar zijn broer, riep zijn vrouw, oudste zoon, dochter en zoontje van twee. Ook zijn schoonmoeder ging mee en even later, met de broers op de voorbank en oma, de moeder en drie kinderen op de achterbank, reed de familie naar de kust van Gaza, onder begeleiding van het luide gezang van de drie kinderen.
Precies op het moment dat hun auto die van de twee terroristen passeerde, werd de auto van de terroristen getroffen door een raket. Chamdi en zijn jongste zoon van twee raakten licht gewond, zijn vrouw, schoonmoeder, broer en oudste zoon waren op slag dood. Maria, zijn dochter, was zwaargewond. Israël bracht Chamdi en zijn twee kinderen per helikopter naar het Tel Hashomer Ziekenhuis in Kyriat Ono bij Tel Aviv. Maria’s verwondingen waren dermate ernstig, dat ze vanaf haar nek verlamd was en niet meer zelfstandig kon ademen.

Het is nu zes maanden later. De jongste zoon is sinds juni terug in Gaza, bij zijn andere oma. Chamdi woont nu in de ziekenhuiskamer van zijn dochter. Hij heeft geleerd de buis die aan haar keel verbonden zit, zelf te verwisselen en te reinigen. Hij heeft ook geleerd zijn dochter te wassen, te voeden en verder te verzorgen en het leven van deze bouwakker is volkomen veranderd.
Maria, 8 jaar oud, heeft intussen geleerd om haar speciale rolstoel met haar kin te besturen en zo maakt zij de gangen van het ziekenhuis onveilig. Alle zusters en maatschappelijk werksters zijn vertederd door dit kleine en dappere meisje dat inmiddels ook al Ivriet spreekt.
Chamdi ontvangt een inkomen, via enkele Israëlische ‘gekken’, die hem willen helpen. Ik schrijf ‘gekken’, want er zijn ook ‘normale’ Israëli’s. Deze ‘normale’ Israëli’s vinden dat Chamdi zijn zoontje niet mag zien. Want Chamdi is een Palestijn en Palestijnen mogen eigenlijk niet in Israël zijn. Vanwege de toestand van zijn dochter had Chamdi een speciale vergunning gekregen om in het ziekenhuis te verblijven tot 31 december 2006. Dan zou hij terug naar Gaza moeten, met zijn dochtertje dat 24 uur per dag elektronisch beademd moet worden. In Israël zijn twee ziekenhuizen die dit soort kinderen kunnen behandelen. In Gaza is er geen enkel ziekenhuis dat Maria kan helpen.
Wat betreft het Ministerie van Binnenlandse Zaken mag Maria dus, letterlijk, stikken. Ook de rest van haar familie heeft Maria niet meer gezien sinds die dag in mei. Toen ons leger aan enkele burgers, die een familiebezoek voor hen wilden organise

Advertentie (4)