Lion Lissauer

Afl. 10: Out of the darkness comes light
Lion mijmert over twee geheel uiteenlopende gedenkdagen: Jom haShoah en Jom haAtsma’oet.

59 jaar geleden op deze dag hebben wij een eigen staat gekregen. Goed moment voor een feestje dus. Hoe vierde ik Jom Ha’atzmaoet? Tjah, veel vrienden gaan naar feestjes, en er wordt daarbij veel gegeten en gelachen. Maar ik bevind me dit jaar op Jom Ha’atzmaoet op een zolderkamertje in oude werkkleren, besmeurd met verfvlekken van de muur die ik net geel had gesopt en terwijl ik zwetend een IKEA-bureau in elkaar tracht te sleutelen. Niet bepaald een gangbare invulling van een Chag maar ik had er eigenlijk best lol in aangezien ik een goede vriendin van dienst kon zijn en tegelijkertijd kon ik ontladen op de moertjes en boutjes die natuurlijk niet pasten in het bureau.

Tijdens het sleutelen en draaikonten schoten er een aantal gebeurtenissen en zaken door mijn hoofd. Een van die dingen was dat deze Chag een week later plaatsvond dan een stuk minder luchtige herdenkingsdag: Jom haShoa. Op de desbetreffende zondagmiddag zat ik naast m’n vader in de auto, op weg naar Amsterdam voor de jaarlijkse herdenking in de Hollandse schouwburg.

“Weet jij waarom Jom HaShoa uitgerekend op deze datum valt?” vroeg hij, terwijl hij zichzelf in een wit overhemd aan het wurmen was tijdens het autorijden.
“Nee, da’s een goeie,” antwoordde ik. “Waarom eigenlijk?”
“Omdat dit de vlakbij de Joodse datum is van de opstand in het ghetto van Warshau. Ietsjes verplaatst omdat we anders in de knoop met Pesach zouden komen.”
“Goh…” antwoordde ik.
“Tjah…”
Er volgde een lange stilte.
“Nou ja, het is een goed moment om bepaalde mensen weer eens te zien,” zei mijn vader na een tijdje.

De herdenking verliep net als voorgaande jaren: de gebruikelijke brok in de keel, zal ik maar zeggen. Na het “gedag zeggen” van de families Lissauer en Vaz Dias (de laatste is de Sefardische tak van mijn familie) op de lijst met namen, zocht ik nog snel even in mijn zakken of ik iets had om als aandenken neer te leggen. Ik hoopte op iets in de trant van een steentje, maar alles wat ik vond was een oud enkeltje Utrecht – Amsterdam, een leeg pakje Sportlife en een lege aansteker. Dus hield ik het maar bij een kleine groet en een paar seconden stilte voor de gedenkplaat met het namenregister, die op mij af leek te komen alsof hij mij probeerde op te slokken.

Al gauw werd ik uit mijn korte trance gewekt toen mijn vader mij meesleurde om samen met anderen een plaatselijke Italiaan op te zoeken. Het etentje maakte de boel een stuk luchtiger. De gebruikelijke zwarte humor werd gebezigd en sloeg al snel over in de herkenbare gein: “oh ja, omertelling…vandaar dat je je baardje hebt laten staan. Ja, de mijne heb ik maar afgeschoren, vond dat toch maar niks, die pluis op mijn kin,” zei een van de vrouwen van achter de tafel.

Joden praten veel met elkaar, erg veel. Maar op momenten als deze gaat het er voor mij niet alleen om wat gezegd wordt, maar ook wat niet gezegd wordt. De zaken die niet worden gezegd worden vaak in stilte begrepen en subtiel uitgewisseld, wat moeilijk leesbaar is voor een buitenstaander. Het fascineert mij dan ook hoe sommige blikken in korte tijd zulke boekdelen kunnen spreken. En de melige, cynische gein zorgde er ook voor dat een dag als deze wat makkelijker verteerbaar werd en helpt het leed deels van je af te laten glijden.

Uiteindelijk werd het tijd voor mij om eens een treintje op te zoeken richting Utrecht. Een laatste voorbeeld van zo’n non-verbaal contact viel in het moment dat ik m’n vaders auto uitstapte: we keken elkaar even een halve seconde aan, waarbij we tegelijk zeiden: “Fijn dat we d’r nog zijn!”

En dat schoot

Advertentie (4)