Parsja 33 Sjelach Lecha (Bemidbar/Numeri 13:1-16:41)


Mosjé stuurt twaalf mannen, één van iedere stam, om Kena’an te verkennen. Ze keren na veertig dagen terug en vertellen dat het land inderdaad overvloeit van melk en honing.

De vruchten zijn groot en als bewijs tonen ze een druiventros die aan
een draagstok door twee man gedragen moet worden. Maar de mensen in dat
land zijn groot en de steden versterkt. Tien van de twaalf verkenners
raden aan om niet op te trekken omdat het volk daar te sterk is en ze
vrezen dat vrouw en kinderen krijgsbuit zullen worden. Alleen Kalev en
Jehosjoe’a pleiten ervoor wel op te trekken omdat G’d met hen is.

Het volk jammert dat het terug wil naar Egypte. HaSjeem wordt geweldig
boos en wil het volk vernietigen, maar Mosjé weet dat door gebed te
voorkómen. Voor elke dag van verkennen moet het volk echter een jaar in
de woestijn blijven en zij die HaSjeem geminacht hebben, zullen het
land niet zien maar in de woestijn sterven, met uitzondering van
Jehosjoe’a en Kalev. Sommigen van het volk, met spijt over hun houding,
trekken toch op maar worden smadelijk teruggeslagen. G’d geeft Mosjé
instructies over uiteenlopende offers en gewijde gaven die gebracht
zullen worden als het volk in het land gevestigd is. Een man die hout
sprokkelde op Sjabbat moest ter dood gebracht worden. De mitswa van
Tsietsiet (schouwdraden) volgt.

Numerieke gegevens

De zevenendertigste sidra, de vierde in Bemidbar. Bevat twee geboden en één verbod.

Eerste alija (Koheen 13:1-20)

G’d benadrukt tegenover Mosjé, dat hij uit eigen vrije wil de
verspieders kan sturen, maar dat dit niet op bevel van G’d geschiedt.
Mosjé geeft de verspieders instructies.

Op weg naar Israël kwamen de verspieders langs Chevron (13:22). Slechts
één verspieder ging deze stad binnen. Wie was deze spion? Volgens de
Talmoed was dit Kalev, die zich uitspreidde over de graven van onze
Aartsvaderen. Hij vroeg hulp tegen de slechte intenties van de
verspieders: “Mijn voorouders, vraag voor mij medelijden dat ik gered
zal worden van de kwalijke plannen van de overige tien verspieders”.

Mag men zich in het gebed richten tot overleden voorouders? Overtreedt
men niet het verbod uit Wajikra/Leviticus “gij zult de doden niet
verzoeken”? Het jodendom is puur monotheïsme en kent geen
intermediairs. Wij mogen nooit bidden tot tussenpersonen of mediums.
Bij verschillende gebeden, zoals in de Selichot ? smeekgebeden ? vinden
we uitdrukkingen als: “Engelen van barmhartigheid, dienaren van de
Allerhoogste verbidt G’d toch voor ons” of “Eigenschap van
barmhartigheid spreid u over ons uit, doe onze gebeden aankomen bij uw
Schepper”. Middeleeuwse Geleerden, zoals  Rabbi Meïr uit
Rottenberg citeren dit gebed ook. Indien het toegestaan is om de
Engelen te verzoeken, zal men ook de zielen van overledenen mogen
verbidden. Maar daartegenover zijn er vele Geleerden die waarschuwen
nooit tot de doden te spreken, hen niet tot middel te maken of hen
zelfs maar als voorspraak op te roepen. Het gebed moet zich richten tot
G’d. Zo stelt ook Maimonides: “G’d is de enige die het waard is om
gediend te worden. Niemand naast Hem, ook niet Engelen, omdat ze alleen
maar doen wat hun is voorgeschreven. Lagere wezens hebben geen vrije
keus. Dus is het ook niet juist om hen te dienen als middel om tot G’d
te komen. Alleen op Hem moeten we onze gedachten concentreren”. De
Chatam Sofeer (1:166) legt uit dat hij deze gebeden überhaupt nooit
zei, omdat hij niet tot de Engelen wilde dawwenen (bidden).

Rabbi Chaïm van Wolozhyn placht vrijdagavond nooit het bekende
begroetingslied Sjalom Alechem voor de Engelen te zingen. Hij meende,
dat Engelen niets in te brengen hebben in het Hemelse en dat ze enkel
gezanten zijn van G’d.

Advertentie (4)