Parsja 24 Tetsawe (Sjemot/Exodus 27:20-30:10)


TETSAVE (beveel): Mosjee krijgt de opdracht te zorgen dat de Menora brandend gehouden wordt en Aharon en zijn zonen aan te stellen als priesters (kohaniem). Ook moeten er kleren voor hen geweven worden, die gedetailleerd beschreven worden.

Tetsawe is de 24e Parsja

Er moeten ook twee stenen waarin de namen van de stammen gegraveerd
worden, aan de schouderstukken gehecht worden. Voorts een borstschild
“voor bijzondere beslissingen” met speciale stenen die Aharon op zijn
hart moet dragen. Onderaan de mantel moeten belletjes aangebracht
worden.Voor de aanvaarding van het priesterschap moeten er offers
gebracht worden en de nieuwe priesters moeten zich zeven dagen
voorbereiden, Aharon wordt ook gezalfd met olie, met een meeloffer,
olie en wijn. Ook andere offers worden voorgeschreven.

Koheen 27:20-28:12
De
Menora moest met zuivere olijfolie van ‘s avonds tot ‘s ochtends
branden. Aharon en zijn kinderen werden als priesters uitgekozen en
droegen speciale kleren.


Olie
uit gestoten olijven brandde in de Ohel Moed, de Tent der Samenkomst.
Waarom was het nodig om juist olijfolie te gebruiken als brandstof voor
de menora? De profeet Jeremia (11:15) vergelijkt het Joodse volk met
een olijf. Olie blijft altijd drijven op andere vloeistoffen. Wanneer
het Joodse volk aan zijn nationale opdracht voldoet zullen ze op handen
gedragen worden. Olie is tevens een vloeistof die niet zo makkelijk
mengt met andere vochten. Het Joodse volk wordt geacht zelfstandig te
blijven, zich niet zodanig aan te passen aan z’n omgeving dat het zijn
identiteit zou verliezen. Olie geeft licht en zo ook heeft de wijsheid
van het Jodendom de hele wereld geinspireerd. Maar de vergelijking
werkt ook negatief: “Want net zoals de olijf pas olie produceert na een
proces van slaan en persen, zo ook kunnen de Bnee Jisrael hun invloed
op de wereld pas doen gelden, wanneer ze, verbannen van de ene plaats
naar het andere continent, tot inkeer komen. Zelfs het kleinste detail
heeft diepe symboliek.


Levie 28: 13-30
Het priesterschort Efod en het borstschild Chosjen Hamisjpat.

De
borstplaat van de Hogepriester bestond uit twaalf edelstenen waarin de
namen van de twaalf stammen waren gegraveerd. De borstplaat werd over
het hart gedragen om vergeving te verkrijgen voor de onzuivere emoties
en gevoelens. De essentie van de borstplaat lag in de Oeriem en
Toemiem. Dit waren stukjes perkament waarop de tweeenzeventig-letterige
G’dsnaam geschreven werd. Hierdoor lichtten de edelstenen op de
borstplaat op en de lettercombinaties, die dit opleverde gaven antwoord
op vragen die aan de Oeriem en Toemiem gesteld werden. Het  woord
‘oeriem’ betekent ‘licht geven’ en ‘toemiem’ betekent ‘onveranderlijk
oordeel’. Oeriem en Toemiem mochten alleen geraadpleegd worden voor
gemeenschapszaken, staatsaangelegenheden en zaken die het Beet Dien
(gerechtshof) of de koning betroffen. Voor prive doeleinden mocht men
de Oeriem en Toeniem niet raadplegen. De vraag werd als volgt gesteld:
De Hogepriester richtte zich op de Aron haKodesj, de Heilige arke en de
vraagsteller stond achter hem. Zachtjes als in een gebed werd de vraag
gesteld. De Hogepriester werd vervuld van de Heilige Geest. Wanneer hij
keek naar de letters op de borstplaat kon hij het antwoord van G’d
ontcijferen. Direct na de verwoesting van de eerste Tempel (586
v.d.g.j.) w

Advertentie (4)