Het Misjkan is klaar!

De parasja van de week, voor kinderen verteld. Vandaag: Als alle dingen gemaakt zijn zet Mosje het Misjkan in elkaar. Hij zegent de priesters en G’d komt bij de Israëlieten in Zijn prachtige woning wonen.

 G’d had aan Mosje precies beschreven hoe het Misjkan gebouwd moest worden: Hij had voor elk stuk hout, voor elk stuk stof, voor alle gordijnen, voor ieder haakje, lusje, draagstok, over alles had G’d gezegd hoe groot het moest zijn, van welke kleur, of het van goud, van zilver of van koper moest worden gemaakt.

Mosje wist ook precies hoeveel er van alle materialen nodig was om het Misjkan te bouwen en de kleding voor de Koheen Gadol en de Kohaniem te maken.

Betsalel en Aholiaw en alle andere mensen die konden timmeren en smeden en weven en naaien, aan de slag. In dit stuk van de Tora staat zelfs precies beschreven hoe de priesterkleren moesten worden gemaakt, bijna als een bouwtekening!

Het was heel veel werk om de kleren van de Koheen Gadol te maken: de hemelsblauwe en paarsrode en helderrode geweven wollen stof met gouddraad erdoorheen gewerkt, fijn wit linnen voor de onderkleding, gouden kettinkjes en ringetjes om het efod – borstschild – mee vast te maken, kleine gouden belletjes en kleine granaatappeltjes van hemelsblauwe en paarsrode en helderrode wol voor onderaan het priesterkleed, de gouden plaat die Koheen Gadol op zijn voorhoofd moest dragen, onder zijn wil linnen tulband.
Toen Mosje zag dat alles klaar was, en precies gebouwd zoals G’d het had verteld, zegende hij de mensen die dat enorme werk hadden gedaan.
Maar er moest nog iets gedaan worden, iets heel belangrijks: het Misjkan moest worden ingericht! En dat moest gebeuren op de eerste dag van de eerste maand, had G’d gezegd.

Eerst moest de Ark met de engelen op de deksel worden neergezet, helemaal achterin het Misjkan, en daarna moet het gordijn, het ‘parochet’ worden opgehangen.

In de ruimte voor het parochet werden de sjoelchan, de tafel voor de troonbroden, de menora en het wierookaltaar neergezet. Daarna werd weer een gordijn opgehangen zodat iedereen zou begrijpen dat dit de ingang van het Misjkan was.
Voor dat gordijn werd de kijor, het wasbekken voor de priesters neergezet en met water gevuld, en daarvoor werd het grote altaar opgericht, het altaar waar de offers op werden gebracht.
En toen dat allemaal netjes op zijn plaats stond kon de omheining worden neergezet, en werd het laatste gordijn opgehangen. Dat was de deur naar het Misjkan, de toegang tot de Woning van G’d.

Mosje zegende alles wat in het Misjkan stond, zoals G’d hem dat had gezegd.

De volgende opdracht was de wijding van Aharon, die de opperpriester was, de Koheen Gadol, en de zonen van Aharon werden tot Kohaniem, priesters, gewijd. Eerst kregen zij hun speciale kleren aan, en daarna werden ze gezalfd. En sinds die dag zijn alle mensen die Cohen heten priesters van G’d, net als Aharon en zijn zonen.

En toen ook dat allemaal klaar was, kwam er een pluim van wolken boven het Misjkan. Mosje kon niet naar binnen gaan zolang de wolk daar hing. Aan de wolkenpluim konden de Israëlieten zien dat G’d in Zijn woning was. Zelfs ’s nachts konden de mensen niet vergeten dat G’d thuis was, want dan was er een vuurgloed in de wolkenpluim.

En zolang de wolkenpluim boven het Misjkan hing trok het volk Israël niet verder, en iedere keer als de wolkenpluim zich verplaatste, braken de mensen het kamp op en trokken verder, op weg naar het Beloofde Land Kena’an.

Wajakheel/Pekoedee (Sjemot/Exodus 35:1 – 40:38

Advertentie (4)