Parsja 31 Tazria (Wajikra/Leviticus 12:1-13:59)


TAZRIA (conceptie en geboorte). Na de bevalling van een zoon of een dochter wordt de kraamvrouw onrein; ze moet een offer brengen. De beriet-mila (besnijdenis) moet op de achtste dag geschieden. Uitvoerig wordt melaatsheid beschreven, een verkleuring of aandoening die ook kleding en gebouwen kan aantasten.

Er is daarbij een belangrijke taak voor de koheen (priester) weggelegd
bij de beoordeling. Wie als onrein wordt beschouwd moet de kleren
scheuren, het haar niet knippen en buiten de legerplaats wonen. Als aan
kleding bij latere schouwing weer tsara’at wordt vastgesteld, dan moet
het materiaal verbrand worden. Mocht de aangedane plek met wassen
verdwijnen, dan is het voorwerp rein.

Tazria is de 31e parsja.


Koheen 12:1-13:5
Een
vrouw wordt ritueel onrein gedurende een week na de geboorte van een
jongen en gedurende twee weken na de geboorte van een meisje. Een
jongen wordt op de 8e dag besneden.


Tinius
Rufus, een gouverneur van Judea in de 2e eeuw, vroeg eens aan Rabbi
Akiwa: “Wiens daden zijn fraaier? Die van G’d of die van de mens?”.
Rabbi Akiwa liet hem toen koekjes en graankorrels zien en vroeg aan
Tinius Rufus: “Welke zou jij prefereren?”. Tinius Rufus ging verder:
“Waarom besnijden jullie je kinderen?”. Rabbi Akiwa antwoordde, dat dit
een opdracht van de Tora was. “Maar als dat de wil van G’d is waarom
laat hij de kinderen dan niet besneden geboren worden?”. Daarop
antwoordde Rabbi Akiwa: “G’d gaf ons de mitswot (geboden) om ons
daarmee te zuiveren en te verheffen!”. Adam, de eerste mens, werd
geschapen zonder voorhuid. Als gevolg van de zondeval groeide bij hem
een orla (voorhuid) aan. Adam sleepte de hele schepping in zijn val
mee. Daardoor is alles zo moeizaam en problematisch in deze wereld
geworden. In het Paradijs groeiden hapklare producten uit de grond. De
hele omweg van ploegen, zaaien, oogsten, malen, kneden en bakken was
niet nodig geweest. Al die productiestappen tussen mens en natuur om
voedsel en kleding te produceren waren in eerste instantie ook niet
nodig. De eerste mens had geen kleren nodig want zijn lichaam was rein
en zuiver. Omgang tussen man en vrouw creeerde geen schuldgevoelens.
Maar na de zondeval werd het lichamelijke deel van de mens
problematisch. En de fysieke wereld weerbarstig.

Daarom begon Rabbi Akiwa de discussie met het verschil tussen
hapklare producten en graankorrels. De totale schepping is doordrongen
van onreinheden, onzuiverheden, afval, bijproducten en allerlei
overbodige vervuilingen. Die imperfectie zet zich ook door in de mens.
Bij de man is dat de orla (voorhuid) en bij de vrouw is dat de
maandelijkse opbouw- en afsterfcyclus die in strikte zin ? bekeken
vanuit de ideale scheppingstoestand ? niet nodig zou hoeven zijn.

Het antwoord aan Tinius Rufus kent nog een diepere
betekenislaag. Bij de besnijdenis gaat het niet alleen om de uiterlijke
vervolmaking van het lichaam. De besnijdenis symboliseert tevens de
opdracht tot innerlijke verheffing. Misschien zouden we het zelfs
scherper kunnen stellen door een citaat uit Maimonides: “Omdat wij in
spiritueel opzicht andere doelen hebben, moeten wij dat ook in het
lichaam duidelijk maken”. De mens is in een niet perfecte wereld
terechtgekomen. Indien G’d volmaakt is, had ook zijn product, de
Schepping, volledig ?af’ moeten zijn. Toch is de wereld zo gebrekkig
geschapen om de mens in de gelegenheid te stellen om bij te dragen aan
de vervolmaking van de wereld en zo partner te worden in G’ds
scheppingsplan. Zou de wereld perfect geweest zijn en alles automatisch
goed komen, dan zou de mens geen enkele rol en taak op de wereld