
ACHARE MOT (na de dood): De kohaniem moeten zeer zorgvuldig handelen als ze het Heiligdom betreden en zeker op Jom Kippoer, als de Hogepriester het Allerheiligste betreedt. De offers waren 2 gelijke bokken, waarvan de ene geofferd wordt en de andere, met de zonden van het volk beladen, de woestijn wordt ingestuurd (de zondebok).
In de loop van Jom Kippoer moet de Hogepriester zich meerdere keren
baden en verkleden. Op Jom Kipoer moet men vasten, geen leer dragen,
zich niet wassen, niet zalven en geen huwelijksrelaties hebben.
Nogmaals wordt uitvoerig gewaarschuwd voor afgodische praktijken.
Vastgesteld wordt waar de offers gebracht moeten worden. Bloed mag men
niet consumeren, want dat is met het leven verbonden. Diverse seksuele
praktijken worden verboden – het volk moet heilig zijn en mag geen van
de gruweldaden doen die in Egypte bedreven worden.
Achare Mot is de 33e parsja
| Koheen, 16:1-17 Kohaniem worden gewaarschuwd de Tempel niet onnodig te betreden. De Koheen Gadol vervult alle verplichtingen van Jom Kippoer in de Tempel, met enige assistentie van andere kohaniem. Het Allerheiligste was gevuld met rook van het reukwerk wanneer de Koheen Gadol daar naar binnen ging. De Tempeldienst van Jom Kippoer was complex. In de Moesaf Amida van Jom Kippoer worden de details eveneens beschreven. |
| Levi, 16:18-24 Widoej = zondenbelijdenis over weg te zenden bok. |
| 3e alija, 16:25-34 Opdracht om zich op Jom Kippoer allerlei onthoudingen op te leggen. |
| 4e alija, 17:1-7 Herhaalt het verbod om offers buiten de Tempel te slachten. |
| 5e alija, 17:8-18:5 Bloed symboliseert het leven en mag niet gegeten worden. Wanneer men een vogel of een hert slacht, moet men het bloed bedekken met zand, aarde of stof. Bloed van de offers wordt op het altaar gebracht als verzoening. Verbod om heidense gebruiken te imiteren. |
De ziel is afhankelijk van het bloed.
Daarom moet men die ziel als het ware bedekken, voordat men het vlees
mag eten. Het zou van wreedheid getuigen wanneer we het vlees zouden
eten terwijl de ziel uitgegoten wordt. Rasjbam (13de eeuw) verklaart
het als een maatregel ter voorkoming van bloeddorst. Wanneer we het
bloed niet zouden bedekken, zou men denken dat het toegestaan is om dit
te consumeren. Daarom wordt het bedekt met zand om het onmogelijk te
maken om het nog te eten.
Runder- en schapenbloed hoeven echter niet bedekt te worden omdat dit
vocht op het altaar gebracht kan worden ter verzoening van onze zonden
en ter verheffing van ons zielenleven. Dit is een goede zaak en moet
daarom juist niet aan het oog onttrokken worden.
Waarom staat er bij het bloedbedekken, dat dit een mitswa (gebod) is
voor iedereen? Volgens de Sjoelchan Aroech (II:28:8) moet de sjocheet
(de rituele slachter) hierin het initiatief nemen. Hij is verplicht om
het te bedekken. Maar wanneer hij dit nalaat, moet iedereen die
langskomt het bloed bedekken. Dit bloedbedekken wordt gezien als een
uiting van barmhartigheid. Vandaar dat degene die dit voor de eerste
keer in zijn leven doet, de












