Moentilan


Rob Cassuto reconstrueert een reis naar en verblijf in het Jappenkamp Moentilan op Java. Met die hervertelling probeert hij – als geborene tijdens de Tweede Wereldoorlog – ingrijpende en vervolgens vergeten gebeurtenissen een gezicht te geven en in de ogen te zien.

Op weg van Bandoeng naar waar?…
Mijn moeder zegt begin 1944, maar het moet later in dat jaar zijn
geweest, volgens de boeken was het in november: een paar honderd
vrouwen en kleine kinderen stonden in lange rijen opgesteld op het
Oranjeplein in Bandoeng, het plein dat deel uitmaakte van de wijk
Tjihapit, de wijk die de Japanners tot vrouwen- en kinderkamp hadden
getransformeerd en die ons al twee jaar gevangen had gehouden. De
geruchten over vertrek gingen al langere tijd en nu was het zo ver.
Bijna alle vrouwen hadden rugzakken genaaid voor de schaarse artikelen
die ze mee mochten nemen op het aanstaande transport- niet meer dan 10
kilo en voor een maaltje eten. Gespannen afwachting. Waarheen ging het?

Als Joodse vrouw had mijn moeder zich van de Japanners moeten melden,
een beleefdheidsgebaar aan de Germaanse bondgenoten. Maar mijn moeder
had ingeschat dat de Japanners hier niet echt aan hechtten en ze had
het bevel genegeerd. Niets verder van gehoord. Als ze het wel had
gedaan had ze met mij en mijn grootmoeder naar een apart kamp,
Tangerang, gemoeten, waar Joden een deel van bewoonden en overigens
niet slechter dan anderen werden behandeld.

Consternatie. De Japanners controleerden steekproefsgewijs de rugzakken
op verboden zaken. Een vrouw pakte niet snel genoeg uit. Een Jap leegde
met een zwaai de rugzak en de kostbare bezittingen: zorgvuldig
uitgekozen, jurken, hemdjes, onderbroeken, een kam, zeep, en het
allerergste, het eten voor de reis, de nasi goreng, die ze had gemaakt
en die was opgeborgen in de po (die juist verboden was om mee te
nemen), al die zaken lagen over straat.

Toen liep de lange stoet half Bandoeng door naar het station in de wijk Karees.
Een soort archetypische optocht van berooiden en voortvluchtigen die door alle tijden, ook nu nog in grote getale, heentrekt.
Ongetwijfeld aangegaapt door de Indonesiers die de eens zo machtige
Belanda’s (Nederlanders) nu als een armoedige troep voorbij zagen
sjokken. Ingeladen werd de menigte in derdeklas geblindeerde wagons met
houten banken.

Treinreizen
We zaten dicht op elkaar en het sanitair was het zwakke punt.
Dat zegt mijn lieve moeder zaliger in haar verslag dat ze tientallen
jaren later voor mij in een schriftje heeft opgeschreven en waarin ze
voor haarzelf en zeker ook voor mij de scherpe kanten flink heeft
geretoucheerd.
Nu, anno 2005, tussen 60 jaar herdenken van de Duitse capitulatie en de
Japanse capitulatie (15 aug. a.s.) probeer ik deze fase in ons
kampverhaal te hervertellen.

Ik put uit haar verslag en ik maak ook gebruik van herinneringen die
een lotgenoot van mijn moeder, mevrouw N, in een brief heeft
neergelegd. En van een paar eigen flarden mistige beelden.
Met die hervertelling probeer ik iets te doen waar mijn generatie – dus
ook ik – veel moeite mee heeft: oeroude diep in ons leven ingrijpende
en vervolgens vergeten gebeurtenissen een gezicht te geven en in de
ogen te zien voor wat het was en daardoor te ontdoen van onbewuste
ballast.

Geboren als wij zijn in de jaren veertig – vijfenveertig hebben wij
veel meegemaakt maar herinneren wij ons weinig tot niets. In die
peuterjaren, waarin wij nog geen referentiekaders hadden, hebben
omstandigheden en gebeurtenissen tijdens de tweede wereldoorlog diepe
indrukken op ons gemaakt, die vervolgens onder de waterlijn van ons
bewustzijn zijn verzonken; maar juist op dat diepe niveau hebben die
gebeurtenissen en omstandigheden ons ook diepgaand beinvloed.
Verder met het verhaal.

Ik was er dus ook bij op de reis

Advertentie (4)