Parsja 38 Bemidbar (Numeri 1:1-4:20)


BEMIDBAR (in de woestijn). Bij telling blijken er meer dan 600.000 mannen van 20 jaar en ouder te zijn. De Levieten worden apart geteld: vanaf een maand. Het vervoer van het draagbare Heiligdom is hun taak. De stammen worden in een vierkant gelegerd rondom het Heiligdom: drie stammen per windrichting, ieder met zijn eigen banier. Zo moeten ze ook optrekken.

De stam Levi wordt rondom het Heiligdom gelegerd; de stam Joseef wordt
verdeeld in Efraim en Menasje. De rol van de eerstgeborenen wordt
overgenomen door de Levieten omdat zij het gouden kalf niet hadden
gediend. De Levieten worden verdeeld in de drie belangrijkste families:
de Gersjonieten, de Kehatieten en de Merarieten. De draagtaken van de
onderdelen van het Misjkan worden verdeeld.

Koheen, 1:1-19
De
mannen vanaf twintig jaar werden geteld. Vanaf twintig jaar gaat men in
het leger. Aharon en een vertegenwoordiger van iedere stam helpen bij
het tellen.

Waarom
wordt er in Joodse kring niet per hoofd geteld? Tellen is een uiting
van G’ds liefde als voorbereiding op een nieuwe spirituele status. Maar
toch moet men hiermee oppassen. In Sjemot (30:12) staat al, dat wanneer
men “de Joden telt iedereen verzoening voor zijn ziel aan G’d moet
geven want dan zal er geen plaag ontstaan”
. De getelden moeten ieder
een halve sjekkel doneren, zodat men de munten telt en daardoor weet
hoeveel mensen er zijn. Zo zal er geen ‘boos oog’ op het getelde
rusten, dat een plaag kan genereren.

Aan het begin van het boek Bemidbar worden plaats en datum exact
opgegeven: “En G’d sprak tot Mosje in de woestijn Sinaï, in het
Misjkan, op de eerste dag van de tweede maand, in het tweede jaar na de
uittocht uit Egypte”.
Het Joodse volk ging een nieuwe fase in. G’d was
teleurgesteld met de andere volkeren. Hij hoopte een nieuw begin te
maken met de afstammelingen van Awraham, Jitschak en Ja’akov. Als in
een ketoeba (huwelijksakte) worden datum en plaats van de nieuwe
levensfase gemeld. Een van de uitingen van de nieuwe status van het
volk waren de degaliem (vlaggen) per stam en de speciale wijze waarop
het Joodse kamp in de woestijn was ingericht (zie verder).

Levi, 1:20-54
De Tora telt liefdevol elke stam.

Het totaalgetal was 603.550. Wanneer we iedereen meetellen, trokken er
wellicht twee tot drie miljoen mensen uit. De Levieten werden apart
geteld. Zij moesten delen van het Misjkan dragen. Niet-Levieten mochten
de Tabernakel niet naderen. De Levieten waren gelegerd rond het Misjkan
en de andere stammen moesten afstand houden.

De opdracht om de Joden te tellen was niet alleen gericht op het
totaalgetal; iedere stam werd ook apart geteld.  Waarom werd deze
opdracht op deze datum gegeven?
Rasjbam suggereert het volgende: op de twintigste dag van de tweede
maand van het tweede jaar verliet de Wolk van G’ddelijke Majesteit de
Tabernakel. Dit was het teken dat de Joden op reis moesten; en het was
eigenlijk de bedoeling dat zij direct naar Israël zouden gaan. Het was
pas na het debacle met de meragliem (verspieders), dat het volk veertig
jaar lang door de woestijn moest zwerven. Eigenlijk zouden zij hun
bestemming in een paar weken hebben kunnen bereiken. Omdat zij zo
dadelijk geconfronteerd zouden worden met de legers van de volkeren van
Kana’an was het alleen maar juist om ze te tellen om het aantal
soldaten te kennen. Zo zou de legerleiding weten waar men de beste
krachten kon inzetten.

Het kan ook zijn dat de census genomen werd vanwege de aanstaande
verdeling van het Joodse land tussen de stammen. Daarom moest elke stam
precies weten hoeveel leden zij hadden, zodat het land eerlij

Advertentie (4)