
KORACH: Korach, Datan en Awiram rebelleren tegen het leiderschap van Mosje en Aharon. Het opstandige trio en hun gezinnen verdwijnen levend in een gapend gat. De volgende dag neemt de hele gemeenschap dit Mosje en Aharon kwalijk.
G’ds woede ontbrandt en er breekt een plaag uit waardoor zeer velen sterven.
Aharon doet verzoening voor hen, waarna de plaag ophoudt. Op bevel van
G’d brengt elke stam een staf naar het Heiligdom. De volgende morgen
bloeit de staf van Aharon, waarmee zijn uitverkiezing tot het
priesterschap is bevestigd. Aharon en zijn nageslacht, de kohaniem
worden – met zijn familie, de Levieten – verantwoordelijk gesteld voor
de goede gang van zaken in het Heiligdom. Eerstgeboren jongens bij de
mensen moeten gelost worden, evenals de eerstgeboren ezel. De stam
Levie krijgt geen land maar ontvangt de tienden van het volk. Hiervan
geven zij weer een tiende aan de kohaniem.
| Koheen, 16:1-13 250 mannen ondersteunen de opstand. Mosje stelt een test voor. Zowel Aharon als de volgelingen van Korach moeten reukwerk brengen en G’d zal tonen wie Hij verkiest. Mosje probeert Korach te overreden te stoppen maar zij weigeren arrogant. |
De opstand brengt het autoriteitsconflict weer onder de aandacht. Mag
men tegen zijn leraar ingaan? Mag men van mening verschillen met zijn
Rebbe? Men mag geen piske dien afgeven (paskenen, halachische
beslissingen geven) in aanwezigheid van zijn Rebbe.
Toch meningsverschillen mogelijk
Rabbi Jisraeel Isserlein, de auteur van de Teroemat haDasjen (238)
stelt echter, dat het verbod beperkt is. Wanneer men een duidelijk
bewijs heeft tegen de Rebbe’s psak (beslissing) uit de werken van grote
Geleerden, zoals de Geoniem (750-1000), lijkt het dat het toegestaan is
om van mening te verschillen met de leraar. Zo was de gewoonte in
Rabbinale kringen vanaf de dagen van de Tanna’iem, de opstellers van de
Misjna. Rabbi Jehoeda Hanassi, de auteur van de Misjna, verschilt in
een aantal gevallen van mening met zijn ‘Rebbe-vader’, Rabbi Sjimon ben
Gamliel. Ook bij de Amora’iem, de Geleerden uit de Talmoed (200-500),
kennen we hetzelfde fenomeen. Rawa verschilt vaak van mening met Rabba,
zijn leraar. Ook in latere tijden zien we bv. dat de Asjerie op
verschillende plaatsen van mening verschilt met de Maharam van
Rottenberg, die zijn leraar bij uitstek was. Rabbi Mosje Isserles
(1520-1577) neemt deze opvatting ook inderdaad over in zijn halachische
verhandeling (Jore Dea 242:3): “Men mag verschillen van mening met de
Rebbe wanneer men duidelijke bewijzen heeft, dat de halacha (de wet) de
Rebbe niet volgt.” Toch is niet iedereen het met hem eens. Op hetzelfde
folio van de codex schrijft Rabbi Sjabtai Cohen, dat dit alleen
toegestaan is volgens Rabbi Joseef Colon wanneer de leerling zich
evenveel bekwaamd heeft in het Jodendom als de Rebbe. Dan heet men een
’talmied chaweer’, een leerling die op gelijk niveau is gekomen. Maar
dit geldt niet voor een eenvoudige talmied.
Natuurlijk was ook Rabbi Sjabtai Cohen op de hoogte van de vele
Talmoedische meningsverschillen tussen leerlingen en Rebbes. Hij stelt
echter, dat dit alleen toegestaan is wanneer de Rebbe hiervoor
toestemming heeft gegeven of nadat de Rebbe is overleden. Ook Rabbi
David ben Zimri (15e eeuw) werd bevraagd over dit onderwerp en hij
antwoordde, dat een leerling niet het recht heeft – wanneer er iets
besloten moet worden in het Beet haMidrasj – tegen zijn Rebbe te
stemmen. Natuurlijk mag een talmied zijn bewijzen aanvoeren. En als de
Rebbe hem volgt, is dat perfect. Als de Rebbe niettemin besluit om de
mening van de leerling niet op te volgen, moet de leerling dit
eerbiedigen. Zelfs in geschrifte mag men niet tegen zijn Rebbe in
pask












