Parsja 46 Matot (Bemidbar/Numeri 30:2-32:42)


MATOT (staven). Als iemand een eed of een gelofte aflegt dan moet die precies uitgevoerd worden, maar een vader of een echtgenoot kan eventueel de eed of de gelofte van dochter of echtgenote teniet doen. De oorlog met de Midjanieten begint.

De vrouwen worden gespaard. Daarover is Mosje kwaad, want juist de
vrouwen vormden de valstrik. Alleen de kleine meisjes mogen blijven
leven. De buit wordt geteld. Daarna moeten de mannen zichzelf en
objecten van onreinheid bevrijden, buiten de legerplaats. De buit is
voor de helft voor hen die ten strijde waren getrokken, de andere helft
is bestemd als gewijde gave. Omdat alle soldaten uit de oorlog
weerkeerden, gaf men uit dankbaarheid goud als gewijde gave. De stammen
Gad en Re’oeween hebben veel vee en willen ten oosten van de Jordaan
blijven, omdat daar veel weidegrond is. Mosje vreest dat de andere
stammen bang zullen worden en dat HaSjeem boos zal zijn, maar de beide
stammen beloven plechtig dat ze eerst Het Land zullen helpen veroveren
en pas daarna terugkeren naar hun kudden. Als Mosje dat hoort is hij
tevreden. Later voegt de halve stam Menasjee zich bij hen.

Koheen, 30:2-17
Men
mag zijn belofte niet ontwijden. De gelofte van een meisje tussen de 12
en 12,5 jaar kan worden opgeheven door haar vader (maar alleen op de
dag dat hij daarvan hoort). De man kan de gelofte van de vrouw opheffen
(wanneer die aan hun relatie in de weg staat).

Levi, 31:1-12
Pinchas gaat mee als ‘legerrabbijn’. Het leger van 12.000 man doodt
alle mannelijke Midjanieten inclusief de vijf koningen en Bileam.
Vrouwen, kinderen en het vee worden buitgemaakt. Steden en paleizen
worden verwoest. Het leger keert terug naar Arwot Moaw.

Geloften
nemen een belangrijke plaats in in het Jodendom. Wanneer men een offer
belooft aan de Tempel moet men zijn gelofte nakomen op de eerstkomende
Jom-Tov (feestdag), wanneer men Jeruzalem bezoekt. Geloften mag men
nooit lichtvaardig afleggen. Iedere gelofte draagt het risico in zich
dat het niet uitgevoerd wordt en dat is een slechte zaak. In drie
gevallen echter wordt aangeraden om wel een gelofte af te leggen,
wanneer men ook serieus van plan is deze uit te voeren. Allereerst kan
men van een slechte gewoonte proberen af te komen door met een gelofte
het besluit tot zelfverbetering te versterken. Zo kan men van
alcoholisme of roken afkomen. Ten tweede was het een traditie van
Aartsvader Ja’akov om een gelofte aan G’d te doen in tijden van nood.
Daarnaast mag men, als men een mitswa kan uitvoeren, “bezweren” om deze
gelegenheid niet onbenut voorbij te laten gaan.

Opheffing
Wanneer men zich realiseert, dat het onmogelijk is om een gedane
gelofte te vervullen, kan men naar een grote geleerde gaan of naar drie
leken om de gelofte te laten opheffen. Men moet dan verklaren dat men
op het moment van het afleggen van de gelofte niet volledig de
implicaties daarvan realiseerde. Had men zich dat wel gerealiseerd, dan
had men deze gelofte nooit afgelegd. Daarom is de gelofte in dwaling
geschied en kan hij opgeheven worden.

Praktijkvoorbeeld
Een praktische toepassing van het opheffen van geloften is het geval
van een tsedaka-donateur, die van zijn gebruikelijke
schenkingsbestemming wil afwijken. Neem het geval van de man, die zijn
tienden altijd besteedde aan het ondersteunen van armen in Israël. Stel
nu, dat enkele van zijn familieleden plotseling in ernstige financiele
problemen raken doordat een kostwinner wegvalt. In een dergelijk geval
heeft deze donateur niet alleen het recht maar

Advertentie (4)