De ondraaglijke zwaarte van het bestaan


Zondag 20 augustus 2005, 15 av 5765, is Israëls nationale dichteres Dahlia Ravikovitch op negenenzestigjarige leeftijd overleden aan een overdosis pillen. Ze kon het leven niet langer aan. Vrienden troffen haar die dag dood aan in haar appartement in Tel Aviv. Joods.nl lezer Boaz schreef een biografisch eerbetoon aan Israëls nationale dichteres.

Dahlia werd geboren op 29 november 1936 in Ramat Gan, een voorstad van
Tel Aviv. De zes jaar die ze daar woonde waren in haar herinnering
gelukkige jaren, vooral omdat ze een innige band had met haar vader
Levi Ravikovitch. Levi was uit China naar Israël gekomen. Hij was
ingenieur en amateur-dichter. Nadat hij in oktober 1942, heel jong was
gestorven – hij werd overreden door een dronken Griekse chauffeur van
het Engelse leger – verhuisde het gezin naar kibboets Geva in de
Yizre’eel Vallei aan de voet van het Gilboa Gebergte.


Kibboets Geva

‘Gemeenschapszin’ was het devies in de kibboets: gedaan was het met
alle lessen van haar vader over ‘persoonlijke vrijheid’. Volgens het
dagboek van haar vader was Dahlia een heel bijzonder kind, dat al kon
lezen en schrijven toen ze drie was. Eerst werd haar verteld, dat hij
alleen maar gewond was, pas weken later kreeg ze namens hem een
verjaardagscadeau: een schooltas en een tekendoos. Dat hij dood
was maakte ze op uit de verhalen van haar klasgenootjes.  

Dahlia’s moeder Michal kwam uit een orthodox gezin met vele kinderen.
Michal was lerares Hebreeuws, maar volgens andere bronnen was zij
pedagoge. Michal hertrouwde korte tijd later met een leraar, die in
Geva woonde. Dahlia kon maar niet wennen aan het kibboetsleven en over
haar geschrijf werd minachtend gedaan: dat was geen werken! Toen ze 13
was ging ze naar een pleeggezin, maar ook daar kon ze het niet
uithouden en tenslotte kwam ze bij een ander pleeggezin in Haifa
terecht. Daar volgde ze de middelbare school en nam ze prive-lessen in
creatief schrijven. In die periode ontmoette ze de criticus Baruch
Kurzweil, die haar talent onderkende en haar aanmoedigde om te
schrijven. Voor Dahlia was hij een vaderfiguur. Enkele jaren later zou
hij zelfmoord plegen.

Korte tijd bracht zij in het leger door bij de verbindingstroepen.
Daarna studeerde ze Hebreeuwse taal- en letterkunde aan de Hebreeuwse
Universiteit in Jerusalem. Haar eerste gedicht publiceerde ze in 1954.
In de jaren 1957, 1958 en 1959 was ze lid van de redactie van “Orot
Ktanim” – “Kleine lichtjes”, een tweemaandelijks tijdschrift voor de
jeugd. Ze gaf literatuurles op een middelbare school. Later schreef zij
theaterkritieken en boekrecensies, hoofdzakelijk van kinderboeken. In
de jaren na 1954 was zij lid van “Likrat” een soort dichtersclub waar
ook Nathan Zach, Yehuda Amichai en David Avidan lid van waren. In die
periode schreef ze nog een aantal gedichten, maar haar eerste bundel
“Ahavat tapoeach hazahav”  – “De liefde van een sinaasappel” kwam
pas uit in 1959, nadat ze grote indruk had gemaakt op Leah Goldberg en
Avraham Shlonsky. Shlonsky was ook degene, die als eerste haar
gedichten wilde publiceren in zijn literaire kwartaalschrift “Orlogin”.

In de jaren die volgden kwamen er op onregelmatige tijden zeven nieuwe
dichtbundels uit, die in 1995 opnieuw werden uitgegeven in een
verzamelbundel getiteld “Kol hasjirim ad ko” – “Alle gedichten tot nu
toe”. Dat betekende overigens niet dat ze daarna niet meer gedicht zou
hebben, integendeel: in 1998 verschenen er nog twee.

Minder bekend is dat Dahlia ook korte verhalen schreef, die in 1987 en 1997 in
twee bundels werden uitgegeven, respectievelijk: “Mawet bamisjpacha” –
“Dood in de familie” en “Kvoetsat hakadoeregel sjel Winnie Mandela

Advertentie (4)