LJG: Sidra Matot/Ma’asee, Bemidbar (Numeri) 30:2-32:42


Wanneer een vrouw de Eeuwige belooft iets te zullen doen of de verplichting aangaat zich van iets te onthouden terwijl ze nog als meisje bij haar vader woont, en haar vader zegt er niets van wanneer hij hoort van haar gelofte of van de verplichting die ze op zich heeft genomen, dan blijven al haar geloften en alle verplichtingen die ze op zich heeft genomen geldig.

Maar als haar vader bezwaar maakt zodra hij ervan hoort, verliezen al
haar geloften en alle verplichtingen die ze op zich genomen heeft hun
geldigheid. De Eeuwige ontheft haar ervan omdat haar vader bezwaar
heeft gemaakt.

Is ze bij haar trouwen nog gebonden door geloften die ze heeft gedaan
of door een onbezonnen toezegging, en zegt haar man er niets van zodra
hij ervan hoort, dan blijven haar geloften en de verplichtingen die ze
op zich genomen heeft geldig. Maar als haar man bezwaar maakt zodra hij
ervan hoort, doet hij de gelofte waardoor ze gebonden is of de
onbezonnen toezegging die ze heeft gedaan teniet, en de Eeuwige ontheft
haar ervan.

Wat de geloften van weduwen en verstoten vrouwen betreft: alles waartoe zij zich verplicht hebben, moeten ze nakomen. (Bemidbar [Numeri] 30:4-10)


HET COMMENTAAR VAN DE WEEK


Dr. Ellen Frankel
geeft op een creatieve manier uiting aan het vrouwelijke standpunt van de joodse traditie. Zij schrijft:

DE RABBIJNEN LEREN ONS: Wij Joden namen altijd het doen van een gelofte
zeer serieus. Het derde Gebod waarschuwt ons om Gods naam niet zomaar
te gebruiken. We hebben altijd aangedrongen bij mensen om indien
mogelijk het doen van geloftes te vermijden, daar de gevolgen van het
niet nakomen ervan Gods toorn zou kunnen ontketenen. Hoewel Joden over
het algemeen geloftes niet meer in een dergelijk theologisch kader
zien, worden we iedere Jom Kipoer herinnerd aan hun bindend gezag als
we ze symbolisch nietig verklaren in het Kol Nidré. Natuurlijk doen we
God iedere dag de gelofte van onze trouw als we Zijn eenheid in onze
gebeden erkennen.

ONZE DOCHTERS VRAGEN: Als geloftes eens zo uitermate belangrijk waren,
waarom verbiedt de Tora afhankelijke dochters en getrouwde vrouwen
zelfstandig geloftes af te leggen?

 SERACH BAT ASJER DE HISTORICA ANTWOORDT: In “die tijd” waren
vrouwen over het algemeen ondergeschikt aan het gezag van de man en
bezaten weinig of geen economische macht. Daarom kon een vrouw niet
weggeven wat niet aan haar behoorde – het eigendom van haar vader of
van haar man – of zelfs maar een gelofte doen die haar toch al
gelimiteerde vrijheid nog meer zou beperken – door bijvoorbeeld Nezira
(een vrouwelijke nazireeër, zie Bemidbar hoofdstuk6) te worden.

LILITH DE OPSTANDIGE GEEFT ALS COMMENTAAR: Hoeveel vrouwen leven “in
deze tijd” nog alsof zulke aartsvaderlijke principes nog de dienst
uitmaken!

Ellen Frankel, The Five Books of Miriam: A Woman?s Commentary on the Torah (San Francisco: Harper Collins, 1996), p.237-238.


Gelezen  wordt:
Dasberg choemasj deel II, blz. 135-143
Haftara: Jirmijahoe [Jeremia] 1:1-2:3
Dasberg choemasj deel II blz. 260




Klik op het logo om verder te lezen op de website van de LJG.

Vertaling: Paula Pat-El

Advertentie (4)