Parsja 38 Matot Masa’ee (Bamidbar/Numeri 33:1-36:13)


MASA’EE (tochten): Een lange rij van plaatsen wordt opgenoemd waar de Bne Jisraeel hun kampen opslaan in de 40-jarige woestijntocht. Als ze het Land binnentrekken moeten ze alle bewoners verdrijven en de afgodsbeelden vernietigen. Zo niet, dan zullen ze ’tot doorns in je vlees worden’.

Aharon moet de berg Hor bestijgen, alwaar hij sterft. Nog eens wordt
besproken hoe de verdeling van Het Land moet verlopen en ook worden de
grenzen genoemd. De Levieten krijgen 48 eigen steden en grond eromheen;
zes ervan zijn tegelijkertijd de asielsteden waarheen iemand die per
ongeluk een moord gepleegd heeft, kan vluchten. Drie ervan aan de ene
en drie aan de andere kant van de Jordaan. Enkele stammen zien in dat,
als de dochters van Tselofchad trouwen buiten de eigen stam, ze hun
grondbezit mee zullen nemen naar die andere stam. HaSjeem stelt vast,
dat de dochters binnen de eigen stam moeten trouwen. Hiermee eindigt
het vierde boek van de Tora.

Koheen, 33:1-10
Levi, 33:11-49
Opsomming van 22 plaatsen waar de Joden gelegerd waren gedurende hun tochten door de woestijn.

3e alija, 33:50-34:15
G’d geeft opdracht om het Land te veroveren en zich daar te vestigen. De grenzen van het Land worden precies beschreven.

De stammen Reoeween, Gad en half Menasjee hadden zich met een eed
verbonden om vooruit te trekken bij de verovering van Israël. Geloften
en eden worden in de Joodse wet zeer zwaar genomen. Maak er geen
gewoonte van om geloften af te leggen, zweer zo min mogelijk. Daarom
vertel ik alle gabbaiem dat zij bij het sjnoderen altijd ‘belie neder’
moeten toevoegen. Waarom is het niet goed om geloften af te leggen?
Omdat men zich vastlegt op het huidige religieuze groei-niveau. Vandaag
is het extra leren van nog een Talmoedpagina een geweldige zaak
waarvoor ik een gelofte zou willen afleggen, Het Jodendom gaat er
echter vanuit, dat een mens moet groeien in zijn Jodendom. Morgen is
dit al weer te weinig. Geloften afleggen getuigt van een statisch
mensbeeld. De Tora heet: Torat Chaijiem – de leer van het leven. Leven
veronderstelt groei. Wij moeten ‘stijgen’ in onze Jiddisjkeit. De
Talmoed vergelijkt iemand, die een gelofte doet met iemand die een
of-fer-heuvel maakt wanneer dat verboden is. En wie [de gelofte] houdt
is als iemand die op zo’n offerheuvel een offer heeft ge-bracht.
Daarvoor is hij schuldig omdat hij buiten de Azara, het voorhof van de
Tempel geofferd heeft. Het is zeker wel een offer maar voldoet niet aan
alle criteria, die voor een goede Jood gelden.

Het is beter om helemaal geen geloften af te leggen. Heeft men dit wel
gedaan dan is het niet onverdienstelijk om ontheffing te vragen van
geloften. Dit geldt echter uitsluitend bij geloften in het alge-meen
maar geloften met een heilig doel moeten worden nagekomen: “Nedarai
LaSjeem asjaleem – Mijn geloften aan Hasjeem zal ik vervullen.”  Voor
mitswa-nedariem (geloften) vraagt men slechts in geval van nood
ontheffing.

Zo ook moet men proberen zweren en eden te vermijden. Als men toch
gezworen heeft, moet men die niet proberen te ontduiken. Ook al heeft
men er spijt van, toch moet men de eed nakomen. Zo staat er in de
Psalmen over een deugdzaam mens: “Wie in zijn eigen nadeel zweert en
het niet verandert.” En de pasoek (het volgende vers) vervolgt: “Wie zo
handelt, zal nooit wankelen.” Alleen in geval van nood mag men bij een
Beet Dien proberen van een eed ontheven te worden.

4e, 5e en 6e alija, 34:16-35:8

Advertentie (4)