Vreemdelingen mag je niet uitbuiten of onderdrukken, want jullie
zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte. (Sjemot 22:20)
SIDRA MISJPATIM door Mark Soloway
Na alle drama, het vuurwerk en het mysterie van de openbaring op de berg Sinaï zet sidra Misjpatim ons ruw terug in de werkelijkheid. Althans in een ander aspect van de werkelijkheid. De sobere nagalm van Gods bevelende stem die de Tien Uitspraken verwoordt – de uitspraken die centraal staan in de joods-christelijke belevingswereld – komt hier in contrast te staan met een veelvoud van uiteenlopende en gedetailleerde wetten, die ons helpen bij het definiëren van de soort gemeenschap die we willen zijn.
Sommige commentatoren suggereren dat de Tien Geboden bein adam laMakom zijn (een zaak tussen mens en God) terwijl de praktijkgerichte (tachlis) regels tot de categorie bei adam lechawero, de etische wetten tussen mensen onderling behoren. Deze wetten zijn de bron van boekdelen vol discussies in de rabbijnse literatuur over Nezikin, wetten over allerlei soorten schadevergoedingen naast andere, meer ethische hoofdzaken. Een stier die iemand stoot, mag dan een niet ter zake doende herinnering lijken aan een andere tijd, maar wordt een archetypische categorie van schade die tot op de dag van vandaag doorklinkt in discussies van juridische aard.
Een van de krachtigste van alle mitswot in deze sidra is het gebod de vreemdeling niet te onderdrukken. Al snel gevolgd door een zelfde verbod met betrekking tot weduwen en wezen.
In onze traditie wordt het misbruik maken van- en voordeel halen uit de positie van de zwakken en kwetsbaren buitengewoon zwaar aangerekend. Het Hebreeuwse woord voor vreemdeling is gér, dat later ook de betekenis proseliet of bekeerling kreeg, of, in de nu vaak in Engelstalige landen gebruikte term “Jew-by-Choice”, iemand die uit vrije wil gekozen heeft zich tot het Jodendom te bekeren en deel worden van het joodse volk. In het Nederlands zou de term kunnen zijn “Jood-uit-vrije-Keuze”. Nechemja Leibowitz, de belangrijke 20e eeuwse Torageleerde, merkt op dat de rabbijnen uit de Talmoed (Baba Mezia 59b) erop wijzen dat de Tora 36 keer ons waarschuwend wijst op ons gedrag ten aanzien van de gér; beduidend vaker dan bij welke andere mitswa ook het geval is! Deze waarschuwing maakt deel uit van een diepgaande discussie over verbale onderdrukking, (ona’at dewarim) die verwijst naar de vele manieren waarop we iemand kunnen vernederen door hem of haar met diens verleden te confronteren.
Eén bedoeling van deze pasoek [vers] is dat we het recht niet hebben wie dan ook met minder dan volledig respect te behandelen. Omdat we allen op enig moment in ons bestaan zwak en kwetsbaar zijn geweest en omdat we allen geschapen zijn in Gods evenbeeld. Het geeft te denken dat de rabbijnen deze categorie van de zwakken en kwetsbaren in verband brengen met degenen die bewust hebben gekozen voor het Jodendom. Veel van onze joodse gemeentes over de hele wereld zijn bevoorrecht doordat ze in groten getale mensen in hun midden hebben, die voor het Jodendom hebben gekozen en actieve leden zijn geworden. We kennen allemaal opmerkingen zoals: “toch zijn ze geen échte Joden”, of “’t is mooi dat ze naar sjoel komen, maar ze zullen er nooit echt iets van snappen.”In de korte periode dat ik rabbijn ben, heb ik keer op keer “Joden-uit-vrije-Keuze” meegemaakt die qua betrokkenheid en kennis geweldig sterke voorbeelden zijn voor onze gemeente. Waar halen we het lef vandaan om vraagtekens te zetten bij hun status of, zoals de Talmoed ons erop wijst, hen te herinneren aan al die keren dat zij niet-kosjer aten voordat ze joods werden? We mo












