Ik was niet bij de Limmud-conferentie dit jaar (2005 DL). Deze vond plaats precies een maand nadat ik op ali’ja was gegaan en dat was een beetje te snel voor een eerste reis terug naar Engeland. Daardoor liep ik de inspiratie mis die ik altijd haal uit het samenzijn met duizenden verschillende mensen, die elk op zijn en haar eigen manier het Jodendom onderzoeken.
SIDRA TETSAWÈ
door Gideon Sylvester
Ik was niet bij de Limmud-conferentie dit jaar (2005 DL). Deze vond plaats precies een maand nadat ik op ali’ja was gegaan en dat was een beetje te snel voor een eerste reis terug naar Engeland. Daardoor liep ik de inspiratie mis, die ik altijd haal uit het samenzijn met duizenden verschillende mensen, die elk op zijn en haar eigen manier het Jodendom onderzoeken. En ik miste het aanbod van mogelijkheden om aspecten van mijn erfenis te ontdekken, die ik anders nooit onderzocht zou hebben.
Voor diegenen die niet gezegend zijn met echte geleerden en docenten in hun eigen gemeenschap biedt de deelname aan Limmud een zeldzame gelegenheid om in aanraking te komen met de wereld van intelligent en sensitief joods lernen. Daarna missen zij Limmud en vragen zich af hoe ze deze sfeer moeten kunnen terughalen gedurende de rest van het jaar.
Onze sidra gaat over het bouwen van de Misjkan, de draagbare tempel, dat het joodse volk door de woestijn met zich meedroeg. Over het algemeen wordt dit Heiligdom beschouwd als Gods gift aan het joodse volk. Terwijl ze door de woestijn zwierven, afgesneden van de intense geestelijke ervaring van de berg Sinaï, wilde God hen toegang geven tot de spiritualiteit die ze daar hadden ervaren. Het Misjkan-heiligdom was voor hen een mini-Sinaï die zij met zich mee zouden te dragen om hun verbinding met God te behouden.
Een gewaagde Midrasj (Sjemot Rabba 30:1) biedt een ander perspectief. Daarin wordt gezegd dat toen het joodse volk zich klaarmaakte Sinaï te verlaten, het God was die hén miste. God realiseerde zich dat het verkeerd zou zijn hen daar voor altijd te houden en daarom vroeg Hij hen een blijvende herinnering aan deze indringende geestelijke ervaring met zich mee te nemen.
De Midrasj vergelijkt het met een koning die een dochter op huwbare leeftijd had. Hij begreep dat hij haar moest laten ! gaan, maar wist dat hij haar zou missen. Dus, toen het bruiloftsfeest voorbij was en hij afscheid nam van het echtpaar en hen zijn zegen gaf, vroeg hij hen een hoek van hun huis te wijden aan een herinnering aan hem opdat er altijd een verbinding tussen hen zou blijven.
In zekere zin denk ik dat veel van het joodse leven hierom draait. We reiken naar spirituele hoogtes en soms hebben we het voorrecht om ze te ervaren. Ze komen in verschillende vormen, of het nu is bij Limmud, of gedurende het gebed in sjoel of op plaatsen van uitzonderlijk natuurschoon. Voor sommigen komen zulke ervaringen door het gevoel een bijzondere prestaties te hebben geleverd, na een bijzonder intellectueel inzicht of een ongelooflijk atletische resultaat. Maar de meesten van ons krijgen ze niet vaak en ze liggen zeker niet als vanzelf binnen handbereik. Onze uitdaging is een klein hoekje in ons leven te creëren, dat ons er voortdurend aan herinnert wat spiritueel mogelijk is, zodat op momen! ten wanneer we ons geïsoleerd voelen van onze spiritualiteit we eraan denken dat die bestaat en dat we die ooit weer kunnen terugwinnen.
De Kotzker Rebbe (een 19e eeuwse chassidische meester) becommentarieerde de woorden in het Sjema “deze woorden zullen op je hart zijn” in dezelfe trant. Waarom zou je de Tora op je hart plaatsen en niet erin? vroeg hij. Zijn antwoord was












