Parsja Acharee Mot en Kedosjiem (Wajikra 16:1-18:30/Leviticus 19:1-20:27)

Op Jom Kippoer, als de Hogepriester het Allerheiligste betreedt, moet hij speciale kleding aantrekken. De offers worden beschreven, waaronder 2 gelijke bokken, waarvan de ene geofferd wordt en de andere, met de zonden van het volk beladen, de woestijn wordt ingestuurd (de zondebok).


Op Jom Kippoer moet men volledig vasten, mag men geen leer dragen, zich niet wassen en niet zalven en geen huwelijksrelaties hebben. Nogmaals wordt uitvoerig gewaarschuwd voor afgodische praktijken. Bloed mag men niet consumeren, want dat is met het leven verbonden. Diverse seksuele praktijken worden verboden – het volk moet heilig zijn en mag geen van de gruweldaden doen die in Egypte bedreven worden. Naast de opdracht de Sjabbat te houden, wordt een groot aantal ge- en verboden vermeld die de omgang van mens tot mens regelen. Waaronder eerbied voor de ouders, niet stelen, liegen, laster verspreiden. Ook: eerlijk rechtspreken, een dove niet vloeken, geen wrok koesteren, de vreemdeling niet krenken want je bent zelf vreemdeling geweest in Egypte. Niet sjoemelen met maten en gewichten, kinderoffers zijn ten strengste verboden, geen waarzeggers raadplegen. Nog meer verboden seksuele relaties worden vermeld. Het Land, vloeiend van melk en honing wordt toegezegd, maar er moet onderscheid gemaakt worden tussen rein en onrein. “Weest heilig, want heilig ben Ik, G’d”.

Koheen 16:1-24. Behandelt de Jom Kippoerdienst in de Tempel (Seder ha’Awoda). Voordat de dienst wordt beschreven, worden de kohaniem gewaarschuwd de Tempel niet onnodig te betreden, behalve wanneer zij taken hebben uit te voeren. Het Allerheiligste was gevuld met rook van het reukwerk wanneer de Koheen Gadol naar binnen ging.

► Van ons worden duidelijke keuzes verwacht. Centraal in de dienst van Jom Kippoer in het Beet ha-Mikdasj stond de loting van de twee bokken. De bok waarop het lot ‘voor Hasjeem’ viel, werd als zondoffer gebracht en de bok waarop het lot “voor Azazel” viel, moest weggezonden worden naar de woestijn. Rabbi Jitschak Abarbanel (1437-1508) zag hierin een symbolisch gebed in de vorm van een offerdienst. De beide bokken, die volledig gelijk moesten zijn, staan voor Ja’akov en Esau, die – als tweelingen geboren – een gelijke bestemming zouden hebben. Toch heeft het niet zo mogen zijn. Ja’akov werd de voorvader van het monotheïstisch Jodendom; Esau werd de voorvader van het heidense Romeinse rijk. Spiritualisme – het Jodendom – en materialisme zouden in een eeuwige strijd verwikkeld blijven.

De Koheen Gadol sprak een zondenbelijdenis uit over de weg te zenden bok om daarmee aan te geven dat hij alle dwalingen van het Joodse volk toeschreef aan assimilatorische invloeden vanuit vreemde volken. Het wegsturen van de bok drukte zo het verlangen uit dat wij verder verschoond zouden blijven van vreemde invloeden, zodat wij ons volledig zouden kunnen wijden aan het ontplooien van onze ware identiteit en roeping. Rambam (1135-1204) was het niet eens met het idee van de “zonde-overdracht”; Rav S.R. Hirsch (1808-1888) volgt de gedachtegang van Rambam. Hij ziet in de twee gelijke bokken de keus van ieder mens. Het lot staat dan voor de keus tussen goed en kwaad, een geestelijk of een aards leven. Deze twee opties, waartussen vele mensen moeilijk kunn

Advertentie (4)