Eten in Antwerpen

Wie in Antwerpen Joods wil eten hoeft geen wandelschoenen aan te doen, ontdekte ook journalist Jeroen Thijssen in Trouw. Zijn eerste etappe op zijn ontdekkingsreis langs de wereldkeukens naast de deur bracht hem bij Hoffy’s. Zijn oordeel: Het zijn geen verfijnde spijzen, maar het smaakt allemaal goed.

Meteen links de enorme hal van Station Centraal uitlopen, langs de lange muur van gele golfplaat, waarin honderden diamantwinkeltjes bewijzen dat bling-bling niet door gangsta-rappers is uitgevonden. Dan, na vijf minuten, zit rechts de Lange Kievitsstraat. De gevels zijn van beton, lege winkels tekenen het onderste van de straat, een roestige bouwkraan suggereert slechts bouwactiviteiten.

Maar ik kom niet om het stedelijk schoon, ik kom hier om Joods te eten. Joodse kennissen zeiden dat ik dan naar Antwerpen moest, naar Het Jeruzalem van het Westen. Mannen met zwarte hoeden en in zwarte pakken gaan statig over straat, vergezeld door degelijk geklede vrouwen en een schare kinderen. Chassidim, heb ik geleerd, strenge joden, die de Thora tot op de letter volgen. Zij eten strikt koosjer.

In de Lange Kievitstraat zit Hoffy’s, het restaurant dat is aanbevolen omdat je ’daar even het gevoel hebt in een sjtetl te zijn’. Hoffy heeft een grote glazen pui en er staan grote glazen toonbanken vol eten. Hier moet ik zijn, maar later pas. Eerst eens kijken bij de bakker, vier deuren terug.

Ook hier is het druk. Een enorme man, zijn bekeppelde hoofd zeker twee meter boven de grond, regelt de zaken in een onverstaanbare taal. Met veel omslag van woorden gaat een zak met broden over de toonbank. Prachtige broden, bruin gebakken, tot een soort tulband opgerold. Links op een plank staan platen gebak: met abrikozen, met appel, met verse kaas.

De reus komt eens vriendelijk poolshoogte nemen, wat doet deze goj in zijn winkel? Nou, vragen stellen. Wat is er Joods aan dit gebak? De reus, die zich als voorstelt David Steinmetz, haalt een vermoeide hand over zijn voorhoofd. Het is de vrijdag tussen Pesach en de sjabbath, dus ik begrijp dat hij moe is.

Nou, nee. Wat heeft het een met het ander te maken? Hij veegt weer een hand, en legt uit. Met Pesach zijn de voorraden bloem en suiker geheel opgeraakt, maar hij mocht pas om vijf uur die morgen beginnen met het zeven om het meel en de suiker van eventuele beestjes, mijten en dergelijke, te ontdoen. Dat is strikt voorgeschreven. Vandaar dat zijn aanbod gebak wat beperkt is. Voor meer vragen kan ik het beste naar Hoffy’s gaan. Ik krijg een schouderklopje, een groot stuk abrikozengebak mee en een brood, waar een speciaal teken op gebakken is. ’Een sleutel’, zegt Steinmetz. ’Om een goede toekomst te openen.’ Hij wil er niets voor hebben. De abrikozencake blijkt ouderwets lekker te zijn, het brood licht zoet en met luchtig kruim. Vakwerk.

Naar Hoffy’s moet ik toch al gaan, maar eerst wil ik eens aan de overkant kijken, bij de viszaak Hoffman. Binnen wacht een man met baard en keppel tussen kraakheldere, witgetegelde wanden. Hij is beduidend minder toeschietelijk. Wat is er nu specifiek Joods aan zijn vis? Hij schudt zijn hoofd. Specifiek Belgisch dan? Weer hoofdschudden.

’Vraag maar bij Hoffy’s’, zegt hij. ’Bij mijn broers. Die weten het.’

Zo kom ik dan toch terecht bij het centrum van deze straat. Nog steeds lopen er bebaarde, zwart geklede mannen binnen met hoeden op. De vitrine begint er leeg uit te zien. Er staan nog aluminium schalen met spannende, onbekende inhoud, en stalen bakken vol eten. Achter de toonbank haasten drie sterk gelijkende mannen zich om de klanten snel en beleefd te helpen. Een smalle gang leidt naar een eetzaal waar grote groepen mensen herrie maken en lach

Advertentie (4)