LJG: Sidra Emor, Wajikra(Leviticus) 21:1-24:23

De Toravoorlezing van deze week varieert van priesterlijke aangelegenheden tot de feestdagen.Ze wordt ingeleid door rabbijn Jeremy Rosen. En zoals gebruikelijk: de Dawar Achér – een andere uitleg op de teksten, te lezen op de website van het Levisson Instituut.

SIDRA EMOR, door Jeremy Rosen

Aan het einde van de sidra (Wajikra 24:10-24) is er een droevig verhaal over een jonge zoon van een gemengd huwelijk, die bij een gevecht in het kamp betrokken raakt en God vervloekt. Eigenlijk vinden we het tegenwoordig maar moeilijk te begrijpen wat er nu zo verschrikkelijk is aan het vloeken. Onze gevoelens van sympathie gaan eerder uit naar het slachtoffer. Een jongeling, een sociale “outcast”, neemt zijn toevlucht tot geweld, komt in botsing met het gezag en verliest het leven.

Zo veel pijnlijke elementen komen samen. Hij is de zoon van een Israëlitische moeder en een Egyptische vader. De Midrasj biedt ons verschillende mogelijkheden aan. Een Egyptische slavendrijver verkrachtte haar. Mosjè doodde haar minnaar. Ze had vrijwillig een Egyptenaar getrouwd. Ze had verkozen haar volk te verlaten voor een beter leven, maar kwam terug op haar beslissing toen de rollen zich omdraaiden. Alle ingrediënten voor een roman zijn aanwezig. En wat komt er terecht van haar zoon, arm verloren kind? Waar hoorde hij thuis? Met wie groeide hij op?

Toen het volk Egypte verliet, verbonden moeder en zoon zich met de ‘erev rav’, de gemengde menigte van volkeren, die zich bij de Israëlieten aansloten gedurende de Uittocht? Of identificeerden zij zich volledig met het volk Israël? Was hun vlucht gewoon een ontsnapping of was het een bevestiging?

Toen de Israëlieten zich langzamerhand samensmolten tot een nieuwe nationale structuur, traden de stamverdelingen op de voorgrond. Niet alleen de Kohanim en de Levieten, maar er waren ook nog de stammen met elk hun eigen vaandels, legerplaatsen en wetten. Zoals de joodse identiteit door de moeder werd bepaald (??? DL), zo ging de stamidentiteit via de vader.

Dus waar hoorde een joodse jongen met een Egyptische vader? Hij was joods van nationaliteit, maar had geen stam en geen erfenis.

Hij wilde zich bij zijn moeders’ stam Dan voegen. Maar men wilde er niets van horen en bovendien: ‘de wet is de wet en helaas, er is niets aan te doen.’

Als het verhaal daar geëindigd was, vermoed ik dat het slachtoffer de geschiedenis was ingegaan als een typisch voorbeeld van wat er kan gebeuren als men toestaat dat de wet het verstand mag overheersen. Een volledig liberaal westers standpunt zou bepaald hebben: ‘men moet het systeem niet toestaan het individu onder de voet te lopen.’

Maar het verhaal krijgt een wending. Er is een ruzie. Waarom? Als we het concept en de autoriteit van de wetgeving accepteren, weten we dat voor iedere verandering actie gevoerd moet worden bínnen het systeem, en dat men niet naar geweld mag grijpen. En dan vervloekt hij God. Alsof hij wil zeggen: ‘mijn Egyptische god betekent meer voor mij dan die van jullie.’ Vervloeken stond toen voor het volledig afwijzen van alles waar de samenleving voor stond. Zie eens hoe belangrijk de idee van Gods Naam is
in de Tien Uitspraken

Advertentie (4)