Joden en Marokkanen vinden elkaar in Marokko

Het Joods Marokkaans Netwerk Amsterdam was eind mei op reis naar Marokko. De belangrijkste les die ze er leerden is dat grote verschillen bespreekbaar zijn en zelfs overbrugbaar als je je nu eens werkelijk inspant elkaar als mens te leren kennen.

Het Parool zaterdag 3 juni 2006: "Ruim een kwart van de Nederlanders is zeer negatief over allochtonen. Tien procent is zelfs uitgesproken racistisch. De Marokkanen komen er het slechtst af: 49 procent van de Nederlanders voelt zich bij Marokkanen het minst op z’n gemak” (Onderzoek GPD/Motivaction juni 2006).
Deze uitkomsten staan in schril contrast met de ervaringen die een groep Joodse en Marokkaanse Nederlanders vorige week in Marokko had. De sfeer van dit werkbezoek werd vanaf de eerste dag bepaald door de parabel die opperrabbijn Aaron Monsonégo vertelde: "Een jager loopt door het bos en ziet in de verte een beer. Hij schoudert zijn geweer, maar het is nog te ver om te schieten. Dichterbij komend ziet hij dat de gedaante geen beer is maar een mens. Verder dichterbij komend ziet hij dat deze mens zijn broeder is". Dit verhaal raakte de kern van de reis: verwantschap. Die is er niet zomaar gekomen. Pas na een kleine drie jaar ‘jagen’ bleek de ander ook een ‘verwante’ te zijn.

De oorsprong van het Joods-Marokkaans Netwerk Amsterdam ligt in minder goede ervaringen met elkaar. Marokkaanse jongeren die tijdens de 4 mei-herdenking in 2003 met kransen gingen voetballen, keppeldragende Joden die vanaf de tweede intifada op straat werden uitgescholden. Marokkanen die zich verwant voelen aan Palestijnen en de Joodse gemeenschap verwijten dat zij geen scherpe kritiek op Israël mogen uiten, omdat zij denken dan als antisemiet te worden uitgemaakt. Marokkanen die vinden dat er met een dubbele maat naar hen wordt gekeken in vergelijking met de Joodse gemeenschap. Kortom: Joodse en Marokkaanse Nederlanders staan met enige regelmaat recht tegenover elkaar en voelen zich wederzijds onbegrepen.

Wat zijn de lessen die we leren in Marokko tijdens onze reis?
Tijdens een lunch met reizend ambassadeur, Serge Berdugo, wordt ons verteld over de goede relaties tussen moslims en Joden. Natuurlijk kan men niet de ogen sluiten voor het feit dat er ook spanningen zijn. Maar er kan maar één leidraad zijn, aldus Berdugo: “respect and dignity creates tolerance”. En dat is waarnaar men leeft. De Joodse school in Casablanca is daarvan een voorbeeld. Joodse en Moslimjongeren krijgen er samen les. Dat kan alleen, zegt de rector, omdat de school niet de tegenstellingen benadrukt, maar juist de overeenkomsten.
Terug in Nederland viel het onderzoek rauw op ons dak. Niet alleen vanwege hetgeen wij in Marokko hadden gezien, maar ook vanwege onze eigen onderlinge ervaring.

Kennelijk zijn wij Nederlanders goed in het zoeken naar verschillen (autochtonen tegenover allochtonen), waarbij we vergeten dat die zogenaamde allochtonen in de meeste gevallen net zoals wij in Nederland zijn geboren of hier al tientallen jaren wonen. Wij spreken over een verbod op hoofddoekjes, omdat dat zou staan voor de achterstelling van vrouwen in de Islam, en vergeten dat er vele krachtige, geëmancipeerde moslimvrouwen met trots hun hoofddoekje dragen en dat achter de ramen van de keurige Nederlandse huizen heel wat Nederlandse (autochtone) vrouwen door hun Nederlandse mannen als dweilen worden behandeld, waar geen haan naar kraait. Wij vergeten dat wij in het VMBO kinderen (allochtoon en autochtoon) kweken die geen toekomst hebben. Wij vergeten dat wij al jaren geleden het jeugd- en jongerenwerk hebben wegbezuinigd.

Wij vergeten bovenal even bij elkaar stil te staan en naar elkaar te luisteren. De Nederlandse samenleving laat zich kennelijk liever leiden door zijn vooroordelen. Zi