Parasjat Noach


Een meer verheven en vorstelijk verhaal dan het bijbelse verhaal van de schepping, is in de wereldliteratuur moeilijk te vinden. Het kompakte verhaal vanaf het moment dat de Almachtige verordent ‘er weze licht’ tot het binnenkomen van shabbat, is vol van de vreugde van kreativiteit en geluk. Op elke dag van de schepping volgt de bevestiging: "G’d zag dat het goed was". Na de zes dagen van de schepping wordt zelfs besloten: "God zag dat het heel goed was". En tenslotte komt de vredevolle rust van shabbat de wereld binnen, snel nadat man en vrouw op het wereldtoneel zijn verschenen.Een psalm, een gezang op de dag van shabbat zit in de lucht. Het duurt echter niet lang of deze idyllische toestand wordt brutaal onderbroken. De volgende hoofdstukken brengen ons in de tragische werkelijkheid, niet enkel van het menselijk bestaan maar ook van de Almachtige zelf.De verzen die aan het begin van het zesde hoofdstuk van Genesis staan, zijn schrikwekkend en hebben velen sinds hun kinderjaren achtervolgd. ‘En de Almachtige zag hoe zeer op de aarde de boosheid van de mensen was toegenomen en hoezeer de begeerte van hun hart de hele dag naar het kwade uitging. Toen kreeg Hij spijt dat Hij de mens op aarde gemaakt had en Hij was er zeer verdrietig om’.Wat een vreeswekkende samenvatting van de toestand van de mens en van de Almachtige die nog maar pas het wereldtoneel had betreden vol licht, vreugde en verwachting. Wat een vreselijke schildering van een G’d wiens hart vervuld is met pijn en verdriet. Hoe bracht Hij zichzelf in zo’n situatie? Is Hij dan niet almachtig en alwetend? Had Hij zich dan niet makkelijk kunnen laten opvrolijken door de beste muzikanten en zich laten vermaken door de beste speelmannen in de wereld? Hij is toch de Almachtige? Hij kan toch alles doen en Hij bekomt toch alles wat Hij wil? Of niet?Inderdaad, alleen een bijbelse empatische God die zich onlosmakelijk verbonden heeft met de menselijke zaak, kan aldus beschreven worden. Zeker niet de God van de filosofen, of de God in de algemeen populaire opvatting.In het midden van deze grimmige beschrijving en nadat alles verloren schijnt -klaar om uiteen te vallen-, zegt de Almachtige: ‘Ik ga de mens die Ik geschapen heb van de aardbodem wegvagen, zowel de mens als het vee en de kruipende dieren en de vogels in de lucht, want het spijt Me dat ik ze gemaakt heb'(v. 7). Plotseling echter duikt een straal van licht op: ‘Maar Noach vond genade in de ogen van de Almachtige'(v. 8). De wereld zal niet in brokken uiteen vallen, zal toch overleven en gered worden omwille van een persoon, omwille van Noach, een rechtvaardig mens.De wereld, of wat ervan is overgebleven in de tijd tussen Adam en Avraham na de holocaust van de zondvloed, krijgt een nieuwe kans. Een nieuwe bladzijde wordt begonnen. Er is opnieuw een glimlach op het gelaat van de Almachtige. ‘De Almachtige rook de aangename geur en zei bij zichzelf. nooit meer zal Ik de aardbodem vervoeken omwille van de mensen, al is het hart van de mens geneigd tot het kwaad van jongsaf aan. Ook de andere wezens zal Ik nooit meer treffen zoals Ik nu gedaan heb. Zolang de aarde bestaat blijft er zaai- en oogsttijd, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht. Nooit houdt het op'(Gen. 8, 21-22).Het is alsof de wereld opnieuw werd geschapen op dit moment. Deze keer door een verbond met de mensheid, vertegenwoordigd door Noachs familie, van wie de hele mensheid afstamt.Het zal nog eens tien generaties duren vooraleer Avraham een ander, meer bijzonder verbond met de Almachtige sluit. Dit verbond zal aan het begin van het joodse volk staan, uitverkoren tot een bijzondere taak onder de volkeren op aarde.Het eerste verbond evenwel wordt gesloten met heel de mensheid. De rabbijnse literatuur verwijst ernaar als naar het verbond met de "b’ne Noach", de kinderen van Noach.De inhoud van het verbond is bindend voor elk menselijk wezen, joden inbegrepen, aangezien ‘er niets is wat toegelaten is v