Parsja 15 Bo a&b


Sjemot 11:2: "Spreekt alsjeblieft in de oren van het volk en laat iedereen lenen van zijn buur en elke vrouw van haar buurvrouw voorwerpen van zilver en voorwerpen van goud".Lenen en WiedergutmachungReeds in het begin van Sjemot (3:21) informeert G’d Mosje over dit ‘lenen’. Na de plaag van de dood van de eerstgeborenen "Deden de Israëlieten zoals Mosje had gezegd, zij vroegen zilveren en gouden voorwerpen en kleren van de Egyptenaren" (12:35). G’d moest de Israëlieten hier expliciet om verzoeken en hen ervan overtuigen, dat het niet verkeerd was om die zaken aan hun Egyptische buren te vragen. Het moge vreemd lijken, dat de Joden na 210 jaar slavernij zo’n aanmoediging nodig hadden. Rabbi David Kimchi (1157-1236) toont aan dat G’d dit verzoek deed na de plaag van de duisternis, waarin de Joden zonder problemen weg hadden kunnen gaan met veel van de bezittingen van de Egyptenaren. Toch hebben zij juist in die duisternis – toen er bij de Joden licht was en ondanks het feit dat zij zoveel te lijden hebben gehad onder de Egyptische slavernij – geen cent willen wegnemen.Uittrekken in grote rijkdomVele commentatoren willen de uitdrukking ‘alsjeblieft’ in 11:2 begrijpen. Rasjie citeert de Talmoed en legt uit waarom er ‘alsjeblieft’ staat. Bij het verbond tussen de stukken (Bereesjiet 15) wordt de Joodse toekomst voor het geestesoog van Awraham ontvouwen: allereerst worden de Joden tot slaven gemaakt in Egypte, maar daarna zal G’d de verdrukkers berechten, en de Joden zullen Egypte verlaten met grote rijkdom.Het eerste gedeelte van de profetie was uitgekomen en G’d vreesde als het ware de kritiek van Awraham, dat het tweede deel van de profetie (het uittrekken in grote rijkdom) niet zou uitkomen. Om Zijn belofte aan Awraham te vervullen, spoorde G’d de Joden aan om de deviezen van Egypte te accepteren.Waarom wilden de Joden niets aannemen? Rabbi Zalman S. Sorodskin (1881-1966) begreep na afloop van de Tweede Wereldoorlog waarom de Joden zo negatief stonden tegenover het ontvangen van zilver en goud aan het einde van de slavernij. Een van de bitterste meningsverschillen in Israël in de vijftiger jaren was de vraag of men Wiedergutmachung van de Duitsers zou aannemen. Velen waren voor, omdat men het geld hard nodig had en men de Duitsers geen voordeel zou hoeven gunnen van de gevolgen van hun moordpartijen: "Zul je moorden en ook nog erven?" (I Koningen 21:19). Het geld van de Wiedergutmachung kon in de ogen van de voorstanders natuurlijk nooit gezien worden als compensatie voor de vermoorde levens, maar slechts als betaling voor de geconfisceerde eigendommen.Afkopen van schuldDe tegenstanders voelden dat het Duitse bloedgeld gezien zou worden als een boetedoening voor hun misdaden. Door hun ‘schuld af te kopen’ zou het Duitse volk weer toegelaten worden binnen de kring van de beschaafde volkeren. Het zou de indruk wekken alsof vele nullen kunnen dienen als verzoening voor de grofste moordpartijen. Velen wilden niet dat de Duitsers zouden menen, dat zij zich met geld zouden kunnen ‘schoonwassen’. Hadden de voor- of tegenstanders na de Sjoa gelijk? De toekomst zal het leren.Bij degenen die Egypte uittrokken waren velen wiens kinderen in de Nijl waren gegooid of tussen de muren waren samengeplet als levende bouwstenen in de steden Pitom en Ramses. Het geld zou bloedgeld worden. Door schadevergoeding te accepteren zou de indruk worden gewekt van ‘zand erover; alles is vergeven’. Het verleden zou recht kunnen worden getrokken, en het verschil tussen verdrukker en verdrukten zou weggevaagd worden. Daarom wilden de Joden gedurende de plaag van de duisternis geen cent aanraken.Maar G’d moest, als het ware, zijn belofte aan Awraham gestand doen, terwijl Hij ook gevoelig was voor de emoties van de onderdrukte Joden, die niets meer met het geld van de Egyptenaren te maken wilden hebben. Deze paradox werd opgelost door Mosje te vragen om alsjeblieft ‘in hun oor te fluisteren’ en h

Advertentie (4)