De mitswa van Chanoeka

Beth HaMidrash schrijft over het wonder van Chanoeka en dat het licht bij de deur ontstoken moet worden om zo de straat te kunnen verlichten.

De Almachtige verrichtte toen een wonder "en een kruikje pure olie verzegeld met de zegel van de Koheen Gadol (Hoge Priester)" werd gevonden. De olie in het kruikje was nauwelijks genoeg voor èèn dag, maar het brande wonderbaarlijk acht dagen.Om dit wonder te herdenken ontsteken wij licht op alle acht dagen van Chanoeka.Echter, ondanks dat het ontsteken van licht op Chanoeka rechtstreeks is afgeleid van het gebeuren in het Heiligdom, zijn er tussen hen een paar wezenlijke verschillen.De lichten in het Heiligdom waren altijd van hetzelfde aantal. Daarentegen voegen we op Chanoeka elke avond een nieuw licht toe.De lichten in het Heiligdom werden uitdrukkelijk overdag verlicht, dus bij daglicht. Het ontsteken van het Chanoekalicht echter na zonsondergang.De Lichten van het Heiligdom waren binnenshuis. De lichten van Chanoeka daarentegen moeten verplicht geplaatst worden aan de buitendeur van iemands huis, dus buitenshuis. (Sjabbat 21b)De Mitswot van de lichten in de Mishkan (Tabernakel) en het Heiligdom werden in acht genomen in een tijd dat Israël geen materiele nood kende. Vooral gedurende de periode van de Mishkan in de wildernis hadden de joden alles wat zij nodig hadden; voor voedsel had men het manna uit de hemel, water had men van de Bron van Miriam, zelfs hun kleding groeide met hen en was altijd schoon. (zie Rashi op Deuteronomium 8:4)Later, in de dagen van Koning Salomon toen het heiligdom was gebouwd en de menorah daar werd aangestoken, was er opnieuw een periode van vreedzame existentie; niemand waagde oorlog te voeren tegen Israël, anderen betaalden naar schatting en er was een staat "dat elke persoon veilig en wel thuis was." (Koningen 1 5:5) [Juda en Israël woonden in vrede samen]Bovendien, als er een spirituele staat van rust en vrede heerst en geen mondaine zorg, is er een totale devotie van Tora en Mitswot.Daarentegen zijn de lichten van Chanoeka gerelateerd aan een tijd toen het land onder Hellenistische overheersing stond en de joodse weerstand minimaal was, er was geen pure olie, zelfs niet voor èèn enkele nacht.Al deze ogenschijnlijke verschillen zijn onderling met elkaar verbonden.Een tijd van materiele voorspoed is ook een tijd van spirituele voorspoed zoals bovenstaand is uiteengezet. Want als een jood in staat is zal hij met open hand genereus bijdragen aan spirituele zaken. In zonnige tijden zijn oorlog en mesirat nefesh (zelf opoffering) niet nodig. De lichten kunnen evenveel in aantal zijn, want als alles normaal is, is er geen noodzaak voor aanvullende activiteiten.Evenzo is er geen noodzakelijke inspanning nodig om de "Straat" te verlichten: de "straat", dat is de "buitenwereld", is niet "donker". Toen de menorah brandde in het heiligdom was de straat eveneens verlicht.In een moeilijke periode echter, een oorlogsperiode, niet alleen tegen de heidense Hellenisten maar ook tegen joodse Hellenisten die zich niet bekommerden om het Heiligdom en hun eigen onafhankelijkheid en zochten naar assimilatie onder de Hellenisten, ja, daar was de noodzaak voor mesirat nefesh. Onder deze moeilijke omstandigheden gaf de Almachtige de mitswa van de Chanoekalichten. Het is voor iemand in zonnige tijden niet voldoende om alleen zijn eigen huis te verlichten, want buiten heerst duisternis, die de straten doordringt en mogelijk ook het huis. Daarom moet men zich tot het uiterste inspannen om de straat te verlichten: de Chanoeka-kandelaar moet aangestoken worden als het donker is, juist bij de deur, om het buiten te verlichten.Het heeft geen enkel effect om de kandelaar aan te steken op de tafel waaraan we eten en werken en vervolgens de deur te openen zodat het licht mogelijk naar buiten schijnt. Men moet het licht ontsteken bij de deur, dat is iemands inspanning om de str