Een zeventig jaar oude villa, waarvan de muren kogelgaten vertonen, de galerij verwoest is en de ramen gedeeltelijk met beton zijn gedicht, huisvest een van de minder bekende Israëlische musea: het Museum op de Grens. Die grens wordt tegenwoordig gevormd door een zesbaans snelweg tussen de moslimwijk van de Oude Stad en de uitlopers van de joodse wijken Ge’oela en Moesrara. Maar voor 1967 markeerde prikkeldraad hier de grens tussen Israël en Transjordanië.
De villa werd in 1932 gebouwd door Anton Baramky, een Arabisch architect, voor zichzelf en zijn gezin. De grond kocht hij van Hassan Bey Tourjeman, een Arabische landeigenaar. Toen de Onafhankelijkheidsoorlog begon (1948), raadde de moefti van Jeruzalem de familie Baramky aan, hun huis een paar weken te verlaten. De Hagana bezette de villa en maakte er een militaire post van, de Tourjeman Post, dichtbij de Mandelbaum Poort, de enige plek waar hoge officieren van de Israëlische en Jordaanse legers elkaar tijdens wapenstilstandsonderhandelingen troffen. De familie Baramky vestigde zich in Bir Zeit, en daar wonen ze nu nog. Tijdens de Zesdaagse Oorlog stond de Tourjeman Post opnieuw in de vuurlinie en werd gebombardeerd, vandaar die verwoeste galerij. In de jaren tachtig werd er een museum in gevestigd, gewijd aan de hereniging van Jeruzalem. Maar dit Tourjeman Post Museum was nooit erg populair.Renovatie Midden jaren negentig werd besloten tot een totale renovatie. Van een oorlogsmuseum moest het veranderen in een museum gericht op dialoog, begrip en co-existentie. Grafisch ontwerper Rafi Etgar kreeg de opdracht die mooie ideeën te vertalen in een interactieve opstelling. De fondsen voor de nieuwe opzet kwamen van de Jerusalem Foundation en van een particuliere donor, de Duitse uitgeversfamilie Holtzbrinck. In juni 1999 werd het museum geopend. De Jerusalem Foundation en de Duitse mecenas staan garant voor de beheerskosten.Het gebouw staat naast een van die afschuwelijke betonnen sjikoenim, die in de jaren vijftig massaal verrezen om immigranten uit de ma’abarot (tentenkampen) een dak boven het hoofd te bieden. Deze grauwe kazerne is wel heel erg, met hoge ramen als spleetjes aan de kant van ?de vijand’. Voor het museum zelf staan twee oude knoestige olijfbomen gevangen in het plaveisel. De kogelgaten in het gebouw en de met cement half dichtgekitte ramen, getuigen van het geweld in het verleden. Dat je moet aanbellen vóór de dikke stalen deur opengaat, zegt iets over het geweld in het heden. Ik ben de middag van 24 december de enige bezoekster, maar mijn rondleidster, Yael, verzekert me dat er ’s ochtends nog twee groepen waren.Wie komen er in zo’n museum? Schoolgroepen, zegt ze, zo van 14 tot 18 jaar. Ook Israëlisch-Arabische scholen komen met hun leerlingen, maar sinds de tweede intifada komen er geen Palestijnse groepen meer. Verder sturen het leger en de politie groepen. ’s Zomers komen er veel joodse jeugdgroepen uit het buitenland, via de Sochnoet (het Jewish Agency), bijvoorbeeld jongeren van het Birthright programma, en groepen Duitse vrijwilligers. Het afgelopen jaar zijn er zo’n duizend bezoekers per maand geweest, de meesten als deel van een groep. Ook de zoon van Baramky is een jaar geleden met zijn gezin komen kijken. De confrontatie met hun voormalige huis was heel pijnlijk, maar ze waren wel blij dat er nu tenminste een aan vrede gewijd museum in huist.Rachel Afarsemon, een enthousiaste jonge vrouw, is verantwoordelijk voor de educatieve programma’s die het museum aanbiedt. Het is ook meer een educatief centrum dan een museum. Rachel heeft gedragspsychologie gestudeerd en traint de rondleiders, die meer ?facilitators’ dan gidsen zijn. Ze mogen niet met hun persoonlijke mening over de conflicten komen, maar moeten elke keer inspelen op de soms heftige emoties die bij de bezoekers opkomen, en ze dienen de discussie met tact in goede banen te leiden.Rechtvaardigheid De tentoonstelling bestaat uit een reeks opstellingen
Het Museum op de Grens
Advertentie (4)












