Om Jou te ontmoeten

Een column van Henk J. Huyser over het Hebreeuwse woordje ‘atah’, wat ‘jij’ betekent. "In de dagelijkse spreektaal in Israël is het woordje afgevlakt en niets meer en niets minder dan een verwijzing naar de tweede persoon enkelvoud. Maar in het Hebreeuws, dat eeuwenlang alleen als taal van de synagoge overleefd heeft, wordt het woordje atah direct verbonden met baroech, gezegend."

Van vrome Joden wordt verondersteld dat ze wel honderd keer per dag die combinatie maken bij de zegenspreuken die altijd beginnen met: baroech atah, Gezegend Jij, ofwel, Naderbij gebracht Gij (zoals rabbijn Ies Vorst ‘zegenen’ decodeert). En als ik dat associatieve verband goed tot me door laat dringen verbeeld ik mij beter Martin Buber te kunnen volgen als hij in Ich und Du na de ik-jij relatie, ook de ik-Jij relatie bespreekt: hij zegt: ‘hoor achter elk ‘jij’ een groter Jij’. In het aangesproken worden door de ander wordt de Ander hoorbaar. In de werkelijke ontmoeting kom je in een eeuwig krachtenveld te staan. Het eerste verhaaltje dat Martin Buber in zijn "De Weg van de mens volgens de chassidische leer" vermeldt, gaat over de huiveringwekkende verantwoordelijkheid waarin de gevangenisbewaarder van de Alter Rebbe terechtkomt wanneer deze het zinnetje "Adam, waar ben jij" werkelijk tot zich door laat dringen. Het gaf me overigens ook te denken dat in deze paradijselijke omgeving voor het eerst het woordje atah in de Tora geschreven wordt: "wie heeft jou te kennen gegeven dat jij (atah) naakt (aroem) bent".Hoe vurig geladen woorden zijn wordt ook duidelijk wanneer je langs een andere leerweg het woordje atah tegen het licht houdt. Daarbij besef je dat taal wel degelijk mensen in een levenwekkend krachtenveld terecht doet komen.Of, zoals de mystici leerden, je ervaart dat elke letter geladen is met eeuwige energie. Als ik op die manier de drie letters van atah ontleed ontstaat er een midrasj-achtig verhaal dat me in het hart kan raken. Ik ontdek dat de eerste twee letters, de alef en de taf, de eerste en de laatste letter van het alefbeet vormen. Dat wil me blijkbaar doen overdenken dat ik in de ontmoeting met de ander de hele wereld tegen kom, van a tot en met z. En dus ook: míjn eigen wereld: hij/zij is toch ‘zoals jij bent?’ (kamocha). Dat te beseffen maakt een ontmoeting al tot iets groots. En toch is met die twee letters niet het hele verhaal verteld. Want in de ontmoeting kan de ‘jij’ tegenover me ook object blijven. In het Hebreeuws komen diezelfde twee letters ook steeds voor als het gaat om een object: In den beginne schiep God: et ha sjamajiem we et ha’arets. Alleen door aan die twee letters een derde toe te voegen ontstaat een echte vruchtbare ontmoeting. Die derde letter is de hee in het Hebreeuws. Die letter, gebruikt als laatste van een woord, geeft het vrouwelijke aspect aan. Met die letter komt de vruchtbaarheid en de toekomst in het vizier. Dan ontmoet ik niet gedistantieerd ‘men’ of ‘het’, een abstract wezen, maar in die ander kom ik in die stroom te staan waar we met elkaar verbonden worden in de stroom van de Levende.Deze column komt uit de nieuwsbrief van oktober 2001 van de B. Folkertsma Stichting voor Talmudica. Meer informatie vindt u op de website van de stichting: B. Folkertsma Stichting

Advertentie (4)