Jom Hasjoa-herdenking, voor de mensen die er niet meer zijn

Woensdag 18 april, op de avond voor Jom Hasjoa, werd in de Hollandsche Schouwburg een herdenking gehouden ter herdenking van de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Joods.nl interviewde Ies Cohen, die al zes jaar de Jom Hasjoa-herdenking organiseert, over zijn ervaringen.

Cohen was zelf acht jaar toen de Tweede Wereldoorlog begon. ?Wij komen niet uit Amsterdam, de meeste familie woonde voor de oorlog in Rotterdam. Mijn directe familie is niet via de Hollandsche Schouwburg gedeporteerd. Maar zo voel ik dat niet. Het is een symbolische plaats.? Al is hij tegenwoordig zo technisch met de organisatie bezig dat er minder emoties naar voren komen dan toen hij er als bezoeker kwam.Net zo vanzelfsprekend als ontbijtenHet organiseren van de herdenking is geen leuke taak, vindt hij zelf, maar geeft wel veel bevrediging. ?Ik stel een daad, al krijg je de mensen er natuurlijk niet mee terug. Ik doe het voor de joden in het algemeen. Voor mij is herdenken net zo vanzelfsprekend als ontbijten. Om al die mensen te herdenken en te zorgen dat wat er gebeurd is niet in de vergetelheid raakt. Het is te erg wat ons is aangedaan.?De mensen die niet terugkwamenDe oorlog heeft veel invloed op zijn leven gehad. Hoe ouder hij wordt, hoe emotioneler de heer Cohen (68) eronder wordt. ?Wij hebben de oorlog meegemaakt toen we kind waren, en dat komt terug als je oud bent, zei iemand eens.? Vooral de herinnering aan hen die niet terugkwamen, doet hem veel. ?Het erge van de oorlog was niet het onderduiken, maar de mensen die er niet meer zijn, die niet terugkwamen,? benadrukt hij. ?Niet dat het onderduiken prettig was, maar het staat in geen verhouding tot het gevoel dat ik krijg als ik denk aan mijn grootouders. In Rotterdam hebben ze alle joodse bejaarden van bed gelicht. Onder hen waren mijn grootouders, zowel van moeders als van vaders kant. Zij zijn alle vier op dezelfde dag in Auschwitz vergast.??Eigenlijk heb ik geluk gehad, want zowel mijn zus als mijn ouders zijn teruggekomen. Maar de verdere familie is vrijwel volledig omgekomen. Mijn grootvader van vaders kant was 77, mijn nichtje drie jaar.??Door het bombardement verhuisden wij in 1940 van Rotterdam naar Gouda. In Gouda gingen wij naar een joodse school. Naar een reguliere school mochten wij niet meer. Van al die kinderen op de joodse school zijn alleen mijn zus en ik overgebleven. Ook de onderwijzeressen keerden niet terug.?Zweer aan de teen van de buurvrouw?In Gouda zijn ze ons wel drie of vier keer komen halen, maar wij wisten steeds door het oog van de naald te ontsnappen.? Eén keer was een zweer aan de teen van de overbuurvrouw hun redding. ?Omdat zij moeilijk kon lopen, ging mijn vader met mijn moeder en zus aardappels voor de buurvrouw halen. Ik bleef thuis. Dat was in de tijd dat ze joden aan het halen waren. En daar kwamen ze dan. Ik zat voor de deur van ons huis met een ster op. Ze vroegen waar mijn ouders waren. Ik zei dat ik het niet wist. Dat was een leugen, want ik wist dat ze bij de groenteboer waren. Maar als ik dat gezegd had, waren wij er niet meer geweest. In die tijd namen ze nog alleen hele families mee. De politie zei dat zij ?s avonds zouden terugkomen. Wij wisten niet waar we zo snel naartoe moesten vluchten. Gelukkig kwamen ze niet.?Heldin?Er was niet aan een onderduikadres te komen. Mensen denken daar tegenwoordig heel makkelijk over, maar voor een gezin met kinderen was het heel gevaarlijk onderduikers op te nemen. Bovendien moest je voor onderduikers geld en ruimte hebben. Pas april 1943 vonden mijn ouders een adres voor mij bij een juffrouw met een pension. Mijn ouders doken elders onder. Net op tijd, want daarna mochten er geen joden meer in West-Nederland zijn. In het pension zaten elf joden ondergedoken. Het was voor haar wat makkelijker omdat zij een vrouw alleen was, maar toch was zij een heldin.?Ies Cohen kon niet de hele oorlog in het pension blijven. Hij dook op verschillende andere adressen onder. ?Op een gegeven moment zat i