Mosjé was altijd de stem van God geweest. Mosjé had de Israëlieten altijd precies verteld wat God van ze verwachtte. Maar nu was het moment gekomen waarop Mosjé voor het allerlaatst tegen het volk Israël zou spreken.
Mosjé sprak een zegen uit over de Israëlieten. Eén voor éen noemde Mosjé de twaalf stammen. Voor elke stam vroeg hij de hulp van God.
En tot slot zei Mosjé: "Israël, jullie zijn het gelukkigste volk op aarde. Want de Eeuwige woont bij jullie om jullie te beschermen tegen je vijanden."
En toen draaide Mosjé zich om en begon aan de lange tocht naar de top van de berg. En toen hij boven was gekomen liet God Mosjé het hele land Kena’an zien. "Kijk, dit is het land waarover Awraham, Jitschak en Ja’akov heb verteld. Het land dat ik beloofd heb aan de kinderen van Awraham, Jitschak en Ja’akov. Je hebt het mogen zien, Mosjé, maar je mag er niet naar toe."
En daar op de berg stierf Mosjé. Hij was 120 jaar. Waar hij begraven is weet niemand.
De Israëlieten waren heel verdrietig dat hun Mosjé er niet meer was, en treurden dertig dagen. Voortaan was Jehosjoe’a de leider van het volk Israël, precies zoals Mosjé het had gewild. Maar er is nooit meer iemand geweest met wie God zo vaak sprak. Mosjé is de machtigste profeet die Israël ooit heeft gehad.
Vezot haBeracha, Dewariem 33:1-34:12












