Een maand geleden verscheen ‘Een spiegel liegt niet’, een bundel met artikelen van ‘dissidente’ Israëlische auteurs over het huidige beleid van de regering Sharon.
Deze bundel, met veel prominente namen en een inleiding van Anja Meulenbelt, bevat verontrustende berichten. Hij laat zien dat het geweld van Israël in de bezette gebieden niet zozeer een reactie is op Palestijnse terreur als wel een uiting van weloverwogen beleid. Het past is een plan tot algehele afwijzing van vrede en tot verdrijving van zoveel mogelijk Palestijnen uit het historische moederland. Dit plan is afkomstig van Sharon maar wordt volgens Ilan Pappe, lid van een groep van’nieuwe historici van Israël’, breed gedragen door zijn kabinet. Het wordt steeds openlijker besproken onder de bevolking. Het Nederlandse debat over het conflict laait sinds Gretta Duisenbergs bezoek aan de bezette gebieden weer op. Het is goed als daarin ook aandacht komt voor dit nieuwe beleid, dat hier nauwelijks wordt opgemerkt.Dit beleid is volgens journalist Michael Warschawski, nu al in uitvoering. In zijn eerste fase staat de vernietiging van de Palestijnse Autoriteit op het programma alsmede de opsluiting van Palestijnen in een klein aantal ‘entiteiten’ die volledig door nederzettingen worden omringd. Deze entiteiten worden bestuurd door Palestijnse bestuurders – personen die met Sharon willen samenwerken – maar blijven onder toezicht van het Israëlische leger.Deze eerste fase is opmaat voor het eigenlijke plan, de Transfer. Het wil via een samenstel van maatregelen bereiken dat het leven voor Palestijnen zodanig wordt bemoeilijkt dat ze, na een proces van ‘uitdunning’, massaal vertrekken naar Jordanie (Pappe). Een systeem van afsluitingen vormt de basis van dit plan. Het moet alle Palestijnse verkeer verlammen en daarmee ernstige sociale en economische desintegratie bewerkstelligen. Contacten met familieleden elders, met ziekenhuizen, scholen, universiteiten en werkplekken zullen immers geleidelijk stagneren.De druk groeit, schrijft Tanya Reinhart, hoogleraar linguistiek in Tel Aviv en Utrecht, door een boycot of beperking van alle import en export, van telefoon, elektra en van het meest vitale goed in deze omgeving: water. Militairen gaan ondertussen door met hun strafexpedities, hun vernieling van particuliere bezittingen, auto’s en computers, en met het bulldozeren van huizen en gewas. Tivka Honi-Parnass, thans dissidente maar in 1948 lid van een zionistische strijdgroep, concludeert dat zo de Palestijnse samenleving planmatig wordt ‘vermalen tot een uitschot van wanhopige onderdanige individuen’ en rijp gemaakt voor het inzicht: "wij horen hier niet meer thuis’.De regering, aldus Uri Avnery, in 1948 eveneens lid van een zionistische militie maar nu prominent woordvoerder voor de vredesbeweging Gush Shalom, rechtvaardigt haar beleid met de stelling: Palestijnen willen geen vrede. Ze sloegen ons ‘edelmoedige aanbod’, te weten het vredesplan van Barak af en begonnen hun intifada. Hun zelfmoordterreur brengt het voortbestaan van de staat Israël in gevaar. We zijn terug in de situatie van 1948 toen de Arabieren ons wilden vernietigen. We zijn in oorlog.Deze kreten worden dagelijks onder de bevolking herhaald en doorgegeven. Er is, na Oslo en mede door het lijden van de zelfmoordaanslagen, sprake van een hyper patriottisme, van een sociale dwang tot loyaliteit aan het regeringsbeleid. Avnery verklaart dit uit een slachtoffer denken dat inherent aan zijn volk zou zijn. Altijd en overal zijn joden slachtoffer geweest van discriminatie en pogroms. Het vredesproces werd daarom vanaf het eerste begin als verwarrend ervaren. De auteur herinnert zich de stemming op straat toen in 1994 het akkoord van Oslo bekend werd. De vreugde was groot onder Palestijnen in Oost Jerusalem maar er heerste een getemperde stemming in het Israëlische stadsdeel. Hij herinnert zich ook de opluchting toen Barak, na het mislukken van de onderhandelingen in 2000, verklaarde: de Arab
Het transferbeleid van Sharon
Advertentie (4)












