Joseef en de dromen

De parasja van de week, voor kinderen verteld. Ja’akov woonde met zijn hele gezin in Kena’an, het land van zijn ouders. Maar hij had er helemaal geen rustig leven. Dat kwam door Joseef, de oudste zoon van Racheel.

Joseef was zeventien jaar geworden, en een heel knappe jongen. Hij en zijn jongere broertje Benjamin werden opgevoed door Bilha en Zilpa, de moeders van hun oudere broers. Want Racheel, de moeder van Joseef en Bejamin, was bij de geboorte van Benjamin doodgegaan. Ja’akov hield heel veel van Joseef.
Hij hield eigenlijk meer van hem dan van zijn andere zonen, en daarom gaf Ja’akov Joseef een bijzonder gewaad cadeau, een soort jas met heel veel kleuren. Dat was Joseef’s lievelingsjas, hij had hem bijna altijd aan. Maar Ja’akov’s andere zonen konden hun broer Joseef niet uitstaan. Zij vonden hem een ijdeltuit omdat hij altijd met zijn mooie jas liep te pronken, en ze vonden hem verwaand want Joseef deed altijd alsof hij alles beter wist.
Op een nacht had Joseef gedroomd, en de volgende dag vertelde hij die droom aan zijn broers. Maar de broers vonden het helemaal geen leuke droom. Joseef vertelde hoe hij samen met zijn broers bezig was op het veld om de korenaren bij elkaar te binden tot korenschoven. "Plotseling ging mijn korenschoof rechtop staan en jullie schoven gingen er rond omheen staan en bogen voor mijn schoof", vertelde Joseef. "Wat een onzin", dachten de broers, en zeiden nijdig tegen Joseef: "Wil je soms koninkje over ons spelen?" Door die droom kregen ze een nog grotere hekel aan hun broer.
Na een tijdje had Joseef weer zo’n vreemde droom. En die droom vertelde hij ook weer aan zijn broers: "De zon, de maan en elf sterren stonden voor me en ze bogen heel diep voor me." Deze droom vertelde Joseef ook aan zijn vader Ja’akov, maar die vond het helemaal geen leuk verhaal. Hij werd een beetje boos, en zei tegen zijn zoon: "Bedoel je dat ik de zon ben en je moeder de maan, en dat je elf broers die elf sterren zijn? Denk je echt dat wij allemaal voor jou zullen buigen?" Dat was alles wat Ja’akov erover zei, maar hij vergat de droom van Joseef niet.

Op een dag waren stuurde Ja’akov Joseef naar zijn broers om te kijken of het goed met ze ging, want ze waren al een paar dagen met de kudde van huis weg, en Ja’akov begon zich ongerust te maken.

Na een lange wandeling vond Joseef zijn broers in de buurt van de plaats Dotan. De broers hadden Joseef al lang aan zien komen, maar ze vonden het niet leuk dat hij bij ze kwam. "Ha," zeiden zij, "daar komt die dromer aan! Laten wij hem doden en zijn lichaam in een put gooien. Dan zullen we eens zien wat er van zijn dromen terecht komt!? Toen Reoeween hoorde wat zijn broers van plan waren schrok hij vreselijk. Hij bedacht een ander plan: "Weten jullie wat wij zullen doen," zei hij, "we gooien hem gewoon levend in een put in de woestijn, dan hoeven we hem niet dood te maken en geen bloed te vergieten." Want hij dacht bij zich zelf: Als de anderen weg zijn haal ik hem weer uit de put, en dan breng ik hem terug naar vader. Maar dat stukje van zijn plan vertelde hij niet aan zijn broers.
Joseef was nog maar net bij zijn broers gekomen of ze grepen hem vast en trokken hem zijn mooie jas uit. Ze pakten Joseef op en gooiden hem in de pu

Advertentie (4)