Mosjé in Egypte

De parasja van de week, voor kinderen verteld. Het verhaal van vandaag gaat over Mosjé in Egypte, als jongetje en als volwassen man.

Er was ook een nieuwe koning in Egypte, en die koning wist niets van Joseef, en wist ook niet hoe al die vreemde mensen in zijn land terecht waren gekomen. De Egyptische koning was bang dat de vreemdelingen misschien wel eens zijn vijanden zouden kunnen worden. Daarom maakte hij slaven van ze: de kinderen van Ja’acov moesten heel erg hard werken om voor de Egytpische koning de voorraadschuren te vullen,en hij liet ze bouwstenen maken van rotsblokken en van klei uit de rivier. Maar er kwamen steeds meer kinderen, en de groep werd steeds groter. "Als er een jongetje wordt geboren moeten jullie het doodmaken, alleen meisjes mogen blijven leven" zei de koning van Egypte tegen de vrouwen die hielpen als er een kindje werd geboren. Maar de vrouwen deden niet wat de koning ze had opgedragen, want ze hadden eerbied voor Hasjem. En tegen de koning zeiden de vrouwen dat de Hebreeuwse vrouwen helemaal geen hulp nodig hadden als er een kindje werd geboren. "Als wij komen is de baby er al." Hasjem zorgde ervoor dat alle Hebreeuwse vrouwen heel veel gezonde kinderen kregen. Par’o probeerde het nog een keer: "Alle jongetjes die geboren worden moeten worden verdronken in de rivier, alleen de meisjes mogen blijven leven."Op een dag kreeg een Hebreeuwse vrouw, iemand uit de stam van Levie, een zoontje. Moest ze dat kindje gaan verdrinken? Nee hoor, ze zou wel zorgen dat dàt niet zou gebeuren. Het kindje was een heel lieve baby die nooit huilde, daarom kon ze het jongetje drie maanden lang verborgen houden voor de soldaten van Pa’ro. Maar ze wist wel dat haar kindje niet veilig was. Ze maakte een mandje van biezen, dat zijn soepele takjes waar je gemakkelijk mee kunt vlechten. Ze maakte het mandje zo dat er geen water in kon komen. Ze wikkelde haar zoontje in schone doeken en legde hem in het mandje. Toen legde ze het mandje in het water van de rivier, gaf het een zetje zodat het met de stroom mee dreef. Verderop langs de rivier stond het oudere zusje van het jongetje op de uitkijk: zou het wel goed gaan allemaal? Het mandje dobberde zachtjes naar de kant en bleef steken in het riet. Een tijdje later kwam de dochter van Par’o met haar slavinnen naar de rivier om zich te wassen. Toen de dochter van Par’o het mandje zag, stuurde ze een van haar slavinnen om het op te halen. Ze maakte de doeken los en zag een huilend jongetje. "Dat is vast een kindje van een Hebreeuwse vrouw", zei de dochter van Par’o. "Het kindje heeft honger! Breng een Hebreeuwse moeder hierheen zodat ze hem de borst kan geven. Ik zal haar geld geven." En zo kreeg de moeder van het jongetje haar zoontje weer terug. Maar ze moest beloven dat ze het jongetje naar de dochter van Par’o terug zou brengen als hij groot geworden was.En zo gebeurde het. De dochter van Par’o gaf de jongen een naam: Mosjé, want die naam betekent ‘ik heb hem uit het water gehaald.’ En zo groeide Mosjé op aan het hof van Par’o.Op een dag zag Mosjé dat een Egyptische man een Hebreeuwse man een pak slaag gaf. Mosjé werd zo kwaad dat hij de Egyptenaar doodsloeg en het lichaam verstopte in de bosjes. Maar er waren mensen die dat gezien hadden, en die hadden het aan Par’o verteld. Mosjé was bang dat Par’o hem zou doden, en daarom vluchtte hij.Hij kwam terecht in het land Midjan, waar veel schaapherders wonen. Mosjé mocht er wonen in het huis van de priester van Midjan omdat hij de zeven dochters van de priester had geholpen toen de schaapherders ze geen water wilden laten putten. Mosjé trouwde met Tsippora, een van de dochters van de priester, en hij kreeg een zoon die hij Gersjom noemde.Weer gingen er vele jaren voorbij. De Egyptische koning waarvoor Mosjé gevlucht was, leefde niet meer. Maar de Kinderen van Jisraëel waren nog altijd sla

Advertentie (4)