De parasja van vorige week, voor kinderen verteld. Vandaag: het laatste deel van Bereesjiet, het eerste boek van de Tora. Ja’akov zegent zijn twaalf zoons voor hij sterft. Ook aan het leven van Joseef komt een einde.
Zeventien jaar bleef Ja’akov in Egypte wonen, dicht bij zijn zoon Joseef, met al zijn kinderen en kleinkinderen om zich heen. Ouder en ouder werd Ja’akov, tot het moment kwam dat hij voelde dat hij te oud was geworden om nog langer te leven. Maar Ja’akov wilde beslist niet in Egypte begraven worden.
“Joseef, mijn lieve zoon, ik weet dat je heel veel van mij houdt. Wil je me alsjeblieft beloven dat je mij in Kena’an zult begraven? Waar mijn vader en grootvader en al mijn familie begraven zijn?” Natuurlijk beloofde Joseef dat hij daarvoor zou zorgen. Maar Ja’akov wilde het helemaal zeker weten en vroeg het nog een keer: “Joseef, je moet het me plechtig beloven!” Joseef knielde bij het bed van zijn vader en beloofde plechtig dat hij Ja’akov in Kena’an zou begraven. Toen was Ja’akov gerustgesteld.
Ja’akov was honderdzevenenveertig jaar oud en heel erg zwak geworden. Joseef begreep dat zijn vader niet lang meer zou leven. Samen met zijn zoons Menasje en Efrajim ging Joseef naar hem toe. Ja’akov was heel blij zijn lievelingszoon te zien. Hij ging op de rand zijn bed zitten om Joseef te begroeten.
Ja’akov had een lang gesprek met zijn zoon. Hij vertelde Joseef wat G’d hem had verteld, heel veel jaren geleden. “G’d vertelt belangrijke dingen niet aan iedereen, Joseef! Hij praat alleen met mensen die naar hem luisteren en doen wat hij van ze vraagt. G’d heeft mij beloofd dat wij een groot volk zullen worden, en dat wij voor altijd in Kena’an zullen kunnen wonen.” Ja’akov wees naar zijn kleinzoons Menasje en Efrajim en zei: “Joseef, luister goed. G’d heeft over jouw zoons Menasje en Efrajim gezegd dat zij vaders zullen worden van grote volken. Menasje en Efrajim zijn mijn kleinzoons, maar voor G’d zijn ze mijn zoons, net zoals jij mijn zoon bent. En nu wil ik ze mijn zegen geven.” Menasje en Efrajim kwamen dichterbij en gingen op hun knieen liggen. Ja’akov legde zijn rechterhand op het hoofd van Efrajim, de jongste van de twee jongens. Zijn linkerhand legde hij op het hoofd van Menasje, de oudste. Joseef begreep er niets van. Was zijn oude vader zo in de war dat hij niet zag op wiens hoofd hij zijn rechterhand legde? Kon Ja’akov het niet meer zo goed zien? Menasje was de oudste, hij had recht op de zegen van de rechterhand, dat hoorde zo in die tijd.
Maar Ja’akov was helemaal niet in de war, hij wist precies wat hij ging doen. Op plechtige toon zei hij: “De jongere broer, Efrajim, zal de vader worden van een heel groot volk. Dat volk zal groter zijn dan het volk van Menasje. De G’d van mijn voorvaders, de G’d van Awraham en van Jitschak, heeft mij altijd beschermd. Hij zal jullie, Menasje en Efrajim, zegenen en beschermen. Hij zal ervoor zorgen dat jullie vaders worden van grote volkeren. En vanaf vandaag zullen alle ouders hun zonen zegenen met deze woorden: “G’d zal zorgen dat je net zo wordt als Efrajim en Menasje.”
Ja’akov wilde ook zijn andere zonen zegenen. G’d had voor Ja’akov een tipje van de sluier van de toekomst opgelicht, en Ja’akov wilde aan zijn zonen laten zien wat G’d hem had verteld. Daarom vroeg hij of ze allemaal naar hem toe wilden komen.
Advertentie (4)
|












