Sidra Sjemot, Sjemot (Exodus) 1:1-6:1

Berésjit is vorge week uitgelezen en we beginnen nu met het tweede boek, sjemot.  Het verblijf in Egypte is verworden tot een bestaan in slavernij. Deze week lezen we over deze tijd en de geboorte van Mosjee zijn redding en eerste optreden tegen een Egyptenaar.

Bekijk de haftara van de week met Baruch Sienna:

Het is eenvoudig redenen te bedenken waarom we iets niet doen en daarom is het wezenlijk om onderscheid te maken tussen echte belemmeringen en makkelijke voorwendsels.

Wij kijken naar de voorlezing uit de Tora en de haftara van de week en bezien welke verbanden en inzichten wij kunnen ontdekken.
Voor een korte inleiding over wat een haftara is, klik HIER.

INLEIDING EN VERBINDINGEN

Deze week beginnen we te lezen uit het boek Sjemot [Exodus], met het bekende relaas van de Jisraëlieten die tot slaven worden gemaakt en met de geboorte van Mosjee. De haftara is in de Asjkenasi traditie uit het boek Jesjaja terwijl de Sefardim Jirmeja [Jeremia] 1:1-2:3 lezen. Net zoals Mosjee hadden vele andere profeten sterke bedenkingen tegen het aanvaarden van hun roeping om Gods boodschap aan de mensen te brengen. Het antwoord van God aan Jeremia op zijn initiële weigering: “Wees voor niemand bang, want Ik zal je ter zijde staan en je redden, spreekt de EEUWIGE” klinkt bij eender aan Zijn antwoord aan Mosjee toen deze tegen zijn roeping bij het brandende braambos protesteert: “Ga nu, Ik zal bij je zijn als je moet spreken en je de woorden in de mond leggen.” (Jeremia 1:8, Sjemot 4:12)

Ook in de haftara uit Jesjaja weerklinken formuleringen uit sidra Sjemot. Het eerste woord uit de haftara (habaïm) is hetzelfde woord dat beschrijft de komst van Jaäkov en zijn familie naar Egypte. Dan volgt in de haftara de beschrijving hoe de vruchten van het werk van Jaäkov en Jisraëel de aardbodem zullen vullen, en daarin kunnen we een positieve echo horen van Farao die bang was dat de nakomelingen van Jaäkov Egypte zouden vullen.

De vreemde formulering van pasoek 27:7 “Heeft Hij hem geslagen zoals hij hen slaat die hem sloegen?” bestaat uit drie vormen van het Hebreeuwse woord “makee” (hakemakat makehoe hikahoe) en dat is hetzelfde woord waarmee de Egyptenaar wordt beschreven die de Jood sloeg. 

Voor het geheel: www.levisson.nl (klik op Parasjat Hasjawoea)

Vertaling: David Liliënthal
Klik hier voor het origineel

Klik op het logo om verder
te lezen op de website van het Levisson Instituut

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze gratis nieuwsbrieven (of klik op het kruisje rechtsboven)