Als G-d overal is, waarom is het dan nodig om een apart heiligdom voor Hem te maken? Deze week lezen we Teroema waarin de bouw van het Mikdasj beschreven wordt.
Koheen, 25:1-16. Het volk doneert materialen voor de bouw het Misjkan.
(Sjemot: 25:8): “Maakt Mij een Heiligdom om temidden van U te wonen”.
Een Sjoel heet een Mikdasj Me’at, een klein heiligdom, enigszins vergelijkbaar met de Tabernakel in de woestijn en de Tempel van weleer in Jeruzalem. Bij de bouw van een Tabernakel, Tempel of sjoel kan men zich vele vragen stellen. Eén van de belangrijkste vragen luidt, dat “de hele wereld toch gevuld is met G’d’s glorie”. De vraag dringt zich op waarom het dan nog nodig is om een apart heiligdom te maken zoals tegenwoordig een Sjoel.
►Karaktervorming
In Sefer Hachinoeg stelt Rabbi Aharon haLevi (14e eeuw), dat het karakter van de mens gevormd wordt door hetgeen hij doet. Niet zozeer hetgeen men voelt of denkt telt in het Joodse leven; karaktervorming vindt plaats in de sfeer van handelen en doen. Het bouwen en in stand houden van een klein heiligdom geeft uiting aan de gedachte, dat men door het doen gaat voelen. Het karakter wordt gevormd en raakt gewend aan het G’ddelijke in de wereld. De opdracht tot het maken van heiligdommen was een liefdedaad van G’d. Via deze centrale plaats van ‘kedoesja’ (heiligheid) werd het mogelijk om zich op een relatief eenvoudige wijze – via de daad – met het G’ddelijke te verbinden. Sefer Hachinoeg stelt dus dat pas in de daadkracht het Jodendom duidelijk reliëf krijgt.
Klik op het logo om NIK-rabbijn Raphael Evers’ verklaringen op de parasja te lezen.













