Parsja 21 Kie Tisa (Sjemot/Exodus 30:11-34:35)

Het gouden kalf: kreeg de zwijgende meerderheid een eerlijk proces?


Overtuiging vereist actie
Enkele weken na de uittocht uit Egypte vervalt het Joodse volk tot
afgoderij. Dit was zó erg dat Mosje opmerkt: ?Dit volk heeft inderdaad
een grote zonde begaan!? (Sjemot 32:31). Waar was het Joodse
volk eigenlijk schuldig aan? Toen de Levieten de schuldigen ombrachten,
bleken er slechts 3000 van de 600.000 mannen tussen de twintig en de
zestig ter dood te zijn veroordeeld. Dit was ?slechts? een half procent
van de totale mannelijke bevolking. Sommigen anderen stierven tijdens
een plaag (32:35). Maar waarom moest het hele Joodse volk beschuldigd
worden van ?een grote overtreding??
De 16e eeuwse commentator Sforno (Italië) legt het als volgt uit: ?Toen
Mosje van de berg Sinaï afdaalde en het dansen rond het gouden kalf
waarnam, zag hij dat ?het volk onbeheerst was, want Aharon had het de
vrije teugel gelaten? (32:26). Dit betekent dat Aharon het ware
karakter van het volk had blootgelegd, toen hij deed alsof hij instemde
met het maken van een gouden kalf. In de woorden van Sforno: ?Er waren
geen rechtvaardige mensen onder het volk, want als maar enkelen Aharon
hadden geholpen om de oproerkraaiers te bezweren, zou hij dat gouden
kalf nooit gemaakt hebben?. Anders geformuleerd: hoewel maar weinigen
het gouden kalf werkelijk gediend hadden, werd het tolereren van deze
situatie en het gebrek aan actie om het te voorkomen, beschouwd als een
misdrijf. Het was de zwijgende meerderheid, die Mosje voor hun
niet-optreden kastijdde.

Is de zwijgende meerderheid schuldig?
Of die zwijgende meerderheid inderdaad schuldig was, vormde een
meningsverschil tussen Mosje en Jehosjoe?a. Toen Mosje afdaalde van de
berg Sinaï met de beide Stenen Tafelen, riep Jehosjoe?a, die op enige
afstand van het Joodse kamp aan de voet van de berg stond, tegen Mosje:
?Er is krijgsgeschreeuw in de legerplaats?. Maar Mosje antwoordde hem:
?Geen geluid van roepen bij nederlaag ? geluid van beurtzang is het wat
ik hoor? (32:17). Mosje bedoelde een geluid van G?dslasterlijke
beurtzang. De Talmoed Jeroesjalmi zoekt een diepere betekenis achter de
woorden van Mosje. Mosje zei eigenlijk tegen Jehosjoe?a: ?Jij,
Jehosjoe?a, zult in de toekomst leider worden van 600.000 mensen. Jij
kan niet eens onderscheid maken tussen het ene geluid en het andere?!?.
Rabbi Alexander Zoesja Friedman legt in zijn ?Majana sjel Tora? uit,
dat Jehosjoe?a wel de geluiden hoorde van degenen die protesteerden
tegen de aanbidders van het gouden kalf. Er was een verbale oorlog aan
de gang: ?Er is krijgsgeschreeuw in het kamp?. Maar Mosje antwoordde:
?Het is alleen maar een verbale strijd, een oorlog van woorden?. Het
feit dat ze slechts met woorden protesteren betekent, dat het hun
eigenlijk niet zo veel kan schelen. Ze twijfelen tussen de
verschillende partijen. Hun bezwaren zijn alleen maar mondeling. Ze
ondernemen geen actie. Mosje gaf mee aan Jehosjoe?a, de toekomstige
leider van het Joodse volk, dat hij de situatie niet goed geanalyseerd
had. Hij begreep niet waar het hart van het volk werkelijk lag.

Het verband met de haftara
De sidra en de daarbij behorende haftara (niet die van Para) komen qua
thema overeen: een houding van passief en weinig effectief verzet tegen
misstanden. Op de berg Carmel confronteert de profeet Elija 450 valse
profeten met de waarheid. Hij slaat het volk met de gesel van zijn
woorden: ?Hoelang zullen jullie nog hinken op twee gedachten? Als G?d
de Ware G?d is volg dan Hem, maar als het de ba?al is, volg hém dan. En
het volk antwoordde hem niet?.
De weifelende houding bij de episode van het gouden kalf zien we terug
in de haftara, waar de Israëlieten twijfelen tussen het geloof in de
Enige Ware G?d en de ba?al-cultus. Zowel in de sidra als in de haftara
zien we dat het volk uiteindelijk weer zijn commitment oppakt en G?d
volgt. In de sidra wordt het gouden kalf vernietigd en in