Nogmaals: de geruimde Joodse begraafplaats van Kampen

De gemeentelijk archivaris van de stad verwacht ongeveer een week nodig te hebben voor het onderzoek naar de gebeurtenissen die zich 50 jaar geleden hebben afgespeeld.

Gemeentelijk archivaris Dicky Haze werkt samen met stadsarcheoloog Alexander Jager bij het onderzoek naar het dumpen van stoffelijke resten van de voormalige joodse begraafplaats aan de 1e Ebbingestraat in diepe kolken rond de stad.
"In de loop van de volgende week hoop ik meer te weten over de gebeurtenissen die zich destijds hebben afgespeeld. Mocht dat niet het geval zijn, dan zal het onderzoek wellicht worden verlengd. Ik trek het papieren archief na en archeoloog Jager is verantwoordelijk voor het bodemarchief. Daarnaast wil ik graag in contact komen met ooggetuigen, mensen die weten wat er zich destijds allemaal heeft afgespeeld op en rond de joodse begraafplaats", licht Haze toe. "Wij zullen dit zeer zorgvuldig doen want we begrijpen hoe gevoelig deze zaak ligt."
De eeuwige grafrust is voor de joodse religie namelijk van de hoogste prioriteit.

Met de opzet van het onderzoek lijkt de kritiek van het Joods Begrafeniswezen op het al eerder aangekondigde feitenonderzoek te zijn ontzenuwd. JBW vermoedt dat de stoffelijke resten van veel joden niet waardig zijn begraven. Daarom moet er op locatie worden gezocht, en niet alleen in de papieren.

Haze heeft inmiddels al een Kampenaar gesproken over de precaire kwestie. "Die beweerde dat de ruiming in 1953 of 1954 zeer zorgvuldig is gebeurd. De hamvraag voor ons is natuurlijk of er in die tijd ook daadwerkelijk stoffelijke resten in kolken zijn gedumpt", aldus de archivaris. Ze wil ook Kampenaar Jaap van Gelderen bij het onderzoek betrekken. Van Gelderen, die de geschiedenis van de in 1942 door de Duitsers weggevoerde joodse gemeenschap in kaart bracht, was met stadgenoot Geert de Leeuw een van degenen die de schokkende affaire aan het rollen bracht. Van Gelderen werd jaren geleden aangesproken door een toenmalige medewerker van de afdeling gemeentewerken – van wie de naam niet bekend is – die vertelde dat er tijdens de bouwwerkzaamheden van het schoolgebouw naast de voormalige joodse begraafplaats stoffelijke resten aan de oppervlakte waren gekomen. Die werden vervolgens in zakken gestopt en gedumpt in kolken rond Kampen, zo luidde de lezing van deze ambtenaar. Het is niet bekend of deze man nog in leven is. Mocht dat het geval zijn, dan zou hij een belangrijke getuige kunnen zijn in het onderzoek. Van Gelderen heeft er toentertijd nooit werk van gemaakt. Onlangs hield hij er nog een lezing over voor de Vrienden van het Kamper Museum.

Het college van burgemeester en wethouders heeft er bij Haze en Jager op aangedrongen dit onderzoek "de hoogste prioriteit" te geven. Tot deze aanpak is besloten na overleg met hoofdrabbijn Jacobs van het Interprovinciaal Opperrabbinaat. Eerder deze week stuurde de voorzitter van de Vereniging Het Joodse Begrafeniswezen te Amsterdam, prof. mr. H. Loonstein, al een fax naar burgemeester Jan Oosterhof, die deze week met vakantie is. Daarin stelde Loonstein "met grote ontsteltenis" kennis te hebben genomen van de gebeurtenissen die zich halverwege de jaren vijftig zouden hebben afgespeeld. Na de publicatie in deze krant op zaterdag 17 april ondernam de gemeente trouwens geen actie en werd de berichtgeving voor kennisgeving aangenomen.