Sjabbat Behaälotecha, Bemidbar(Numeri) 8:1-12:16


De Israëlieten zijn al weer twee jaar weg uit Egypte en zwerven door de woestijn is een dagelijkse routine geworden. De sidra van deze week is een interessante mengeling van hun rituele en persoonlijke bekommernissen.

We beginnen een hele rij klachten en protesten te lezen, die
karakteristiek zijn voor het boek Bemidbar – dat ik het koosnaampje ”
Sefer Kwetsj” (het boek van het klagen) heb gegeven. Deze pesoekim zijn
welhaast een voorbespreking voor de vele momenten van onbegrip tussen
Mosjè, het volk en God. Doordat ze in één boek zijn samengevoegd lijken
deze conflictsituaties regelmatig terug te keren. Daar deze episoden
echter verspreid zijn over de 38 jaar die het boek Bemidbar bestrijkt,
komen ze dus toch niet zo vaak voor als het wel lijkt.
In dit eerste voorval beklaagt het volk zich hevig over een niet nader
genoemd probleem. Hun gebrek aan vertrouwen maakt God (opnieuw)
woedend. Een brand, klaarblijkelijk door God gestuurd, breekt uit aan
de rand van het kampement van de Israëlieten en jaagt hen de stuipen op
het lijf. Opnieuw wenden zij zich tot Mosjè, die voor hen bij God
bemiddelt en het vuur dooft uit. Vanaf dat moment wordt die plek
Taw?éra genoemd, van de woordstam “branden”. Veel leert het volk
overigens niet van dit voorval, omdat ze niet met hun geklaag ophouden.



Klik op het logo om verder te lezen